De heidense Hadj

De Hadj, meer bewijs van het heidense verleden van de islam.

door Ibn Sufi al Kitab

Hadj betekent wrijving. De vrouwen wreven hun genitaliën tegen de heilige zwarte steen van de ka’aba om hun vruchtbaarheid op te wekken. Een dubieuzer heidens gebruik als deze is met uitzondering van het offeren van kinderen, moeilijk te overtreffen. Dit pre-mohammedaans gebruik bestond al voor honderden jaren in Arabië.
De post-Mohammed Hadj betekende onder andere de mohammedaanse plicht om

 de reis naar Mekka te maken,
 geld uit te geven ter verrijking van de lokale bevolking
 stenen naar duivels gooien
 – een rondgang om de Ka’aba en

het kussen of groeten van een zwarte steen.

De hadj was een belangrijke ceremonie in het premohammedaanse Mekka. Op het marktplein rond de Kabaa werd geprostitueerd en historici speculeren dat seksorgieën een onderdeel van rituele offers waren aan de zwarte [asteroïde] steen die een hemelse macht vertegenwoordigde.
Met zo’n steen over de genitaliën wrijven kan de opmaat voor een sexueel offer zijn geweest.
In ”Mohammed en de godsdienst van het mohammedanisme”, gepubliceerd in 1984, biedt historicus John Gilchrist de lezer een gedetailleerde blik in dit prehistorische tijdperk van het heidense Arabië. Het was een wereld van bijgeloof, demonen, maangoden, zonnegoden, verering van andere sterren, analfabetisme, banditisme, armoede en achterlijkheid. Historicus Gilchrist merkt op:
De ramial-jimar ceremonie bij Mina en net als andere ceremonies in de Hadj, legden een grote nadruk op stenen – verder bewijs van het overleven van heidense Arabische praktijken is het stenen gooien als rituele vorm van aanbidding/verering.  [Gilchrist, Mohammed, 1984]
Er is weinig rationeels of logisch in dit heidense gedrag. Een andere beroemde Arabische historicus bevestigt de opmerking van Gilchrist:

Elke pelgrim maakt de Hadj of rituele rondgang om de Ka’ba, een ceremonie die weinig of helemaal niet sinds pre-islamitische tijden veranderd is. De pelgrim loopt tegen de klok in zeven keer rond de kubus, en gedurende het lopen probeert de pelgrim de kubus te kussen, aan te raken of te begroeten.

In 630 na Chr. veroverde Mohammed Mekka met een leger van 10.000 man en alle Ka’aba afgoden met uitzondering van die van de El-Lah of de maangod, werden stuk geslagen. Vervolgens maakt hij een overeenkomst met de heidense Arabische gelovigen. De Arabieren accepteerden om zijn tribale godheid, de maangod, i-lah of El-Lah als enige te aanbidden en Mohammed als de uitverkoren profeet te aanvaarden. In ruil daarvoor zou hij de populaire heidense Arabische praktijken koppelen aan zijn ‘één God’ theologie, gecentreerd rond de godheid van de maan.

 

Door het nieuwe met het oude te combineren ontstond er een gefuseerde theocratie. Toen Mohammed met de belangrijkste aspecten van het Arabische heidendom instemde, bloeide Mohammeds populariteit. Zoals de heer Gilchrist het beschreef:

Mohammed was constant op zoek naar een middel om zichzelf met zijn heidense landgenoten te verzoenen. Het is veelbetekenend dat het Mekkaanse verzet tegen Mohammeds idealen onmiddellijk instortte toen hij en zijn volgelingen de bedevaart hadden uitgevoerd, exact zoals de heidense Arabieren het deden, uitgezonderd de verering van hun idolen. De onjuistheden van Mohammeds voorgewende openbaringen worden hiermee ruimschoots aangetoond.

De hadj was Mohammeds compromis met de heidense Arabieren.” [pagina 162; Gilchrist]. De hadj was van vitaal belang om de Arabieren voor zich te winnen. De hadj was niet enkel een geldmachine maar bleek ook spitritueel en politiek van onmisbare waarde. De perverse seksuele gebruiken werden gestopt, de prostituees verboden, de markt opgeruimd maar alle andere kenmerken bleven. Bij de totstandkoming van een deal, stelde Mohammed terecht vast dat de heidenen zich in het nieuwe zogenaamde ‘één God concept’ comfortabel en veilig moesten voelen, zodat ze hun heidense riten konden behouden, wat noodzakelijk was om de dictatoriale macht te verkrijgen;

 

“Dit bleek een uitstekende beleidsbeslissing, want het verplichtte de Mekkanen en bezoekers zich aan het nieuwe regime en geloof te houden alsof het nooit anders geweest is.” [p.71, Gilchrist]

Zodra hij werd aanvaard als de profeet van god en de koning van de Arabieren met zijn maangod als het dominerende symbool van de samenleving, konden Mohammed en zijn islamitische theologen beginnen met het herschrijven van de geschiedenis: islamitische geleerden hebben ook toegegeven dat Mohammed de heidense Arabische bedevaart aan het mohammedanisme had toegevoegd en om dit proberen te rechtvaardigen creëerde de islamitische theologen de historische fictie dat Abraham de schepper van de bedevaart is geweest maar dat latere generaties het hebben laten versloffen.

De toevoeging van, of liever gezegd het plagiaat van de joods-christelijke kronieken in het Arabische heidendom moet een moeilijke en vervelende taak voor de moslims geweest zijn. Maar weer was de noodzaak voor Mohammed hiervoor duidelijk. Hij moest de Joodse tradities met dat van de heidense Arabieren verzoenen om historische legitimiteit, betekenis en status te verwerven om zijn uitroeiing van de Joden en christenen te motiveren. De joden hadden namelijk zogenaamd de ware God [Allah] van Abraham verlaten. Zodoende moesten zij worden gestraft. Het invloed van de Joodse geschiedenis is legio binnen het vroege mohammedanisme. In zijn boek ‘The Temple’ van 1980 schrijft Gilchrist het volgende:

 

Iedereen die vergelijkbare godsdienstwetenschappen gestudeerd heeft kan niet anders dan getroffen zijn door de gelijkenissen tussen de tempel van het Jodendom en de Ka’aba van de islam. Het was niet alleen door de Joodse oppositie in Medina dat Mohammed zijn bedevaart naar Mekka veranderde. Het meest belangrijke is dat de profeet van de islam zelf, bijna zeshonderd jaar na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem, deze plek Jeruzalem als zijn eerste bedevaart koos, en volgens de Koran op Gods bevel.

Niet alleen ontnam Mohammed bepaalde gebruiken van de heidenen om zijn cult van onderwerping te vormen, hij stal ook uitvoerig van het Jodendom en christendom. Dit betekent dat de koran niet ‘ongeschapen’ is zoals de moslims claimen. De islam is dus een zeer rommelige opeenstapeling van Mohammeds grootheidswaanzin, zoals de handige openbaringen van zijn Allah; gestolen gedichten uit het Ka’aba heiligdom waaronder de kortere Medinese soera’s; Joodse en christelijke liturgieën en de rituelen van het heidense Arabië. Deze vermenging is ver verwijderd van wat heilig en ‘ongeschapen’ is. Maar tot aan vandaag is het nog altijd een ‘heilige religie’, iets waar de meer intelligente mensen uit de Middeleeuwen het niet mee eens waren. Islam was en is heidens.