Koran 39:23 zegt ongeveer:
“Allah heeft de beste boodschap neergezonden: een Boek, consistent en herhaald. De huiden van degenen die hun Heer vrezen huiveren ervan; daarna worden hun huiden en harten zacht bij de gedachtenis van Allah.”
Op het eerste gezicht klinkt dit als een spirituele beschrijving van diepe religieuze ontroering. Maar juist daarin ligt ook een fundamenteel probleem: emotionele impact wordt hier impliciet gepresenteerd als bevestiging van waarheid.
Dat is filosofisch zwak terrein.
Mensen krijgen kippenvel van muziek, nationalistische toespraken, liefdesverklaringen, poëzie, films en politieke propaganda. Emotionele intensiteit bewijst niets over objectieve waarheid. Een menigte die huilt tijdens een preek toont hooguit menselijke beïnvloedbaarheid — niet noodzakelijk goddelijke oorsprong.
Dat maakt het vers problematisch als argument. Het lijkt de psychologische ervaring van ontzag te verwarren met bewijs van openbaring.
En precies daar ziet een criticus een bekend patroon: religie gebruikt emoties vaak als epistemologie. Het hart moet bevestigen wat het verstand nog niet bewezen heeft. Huiveringen, tranen en devotie worden tekenen van waarheid, terwijl dezelfde gevoelens in andere religies plots als misleiding of afgoderij worden beschouwd.
Een christen voelt ontroering bij een kerkkoor.
Een hindoe tijdens een ritueel.
Een nationalist bij een volkslied.
Een moslim bij recitatie van de Koran.
Maar die ervaringen spreken elkaar inhoudelijk tegen. Ze kunnen dus onmogelijk allemaal tegelijk bewijs van dezelfde waarheid zijn.
In de geest van Christopher Hitchens zou men kunnen zeggen:
De mens is een emotioneel wezen. Dat wij kunnen huiveren van ritueel, ritme en herhaling is een psychologisch feit — geen bovennatuurlijk argument.
Bovendien noemt het vers het boek “de beste boodschap”, terwijl dat juist de centrale claim is die nog bewezen moet worden. Het vers prijst zichzelf met zijn eigen autoriteit. Dat is cirkelredenering:
- het boek is waar omdat het goddelijk is,
- en het is goddelijk omdat het zichzelf als hoogste waarheid beschrijft.
Maar zelfverzekerde taal maakt een claim niet automatisch waar. Elke religieuze traditie bezit teksten die zichzelf verheerlijken.
Daarnaast is er iets opvallends aan de nadruk op angst:
“degenen die hun Heer vrezen.”
Niet liefde. Niet vrijheid van onderzoek. Maar vrees als toegangspoort tot spirituele ervaring. Dat roept een ongemakkelijke vraag op: hoe vrij is religieuze ontroering wanneer zij voortdurend verbonden blijft met waarschuwingen over oordeel, straf en hel?
Een scepticus zou daarom zeggen dat het vers misschien minder over God vertelt dan over de mens zelf. Over hoe mensen geraakt kunnen worden door ritme, herhaling, sfeer, angst en emotionele taal. De intense ervaring die gelovigen voelen, hoeft dus niet automatisch een teken van goddelijke oorsprong te zijn; zij kan evengoed voortkomen uit menselijke psychologie en de kracht van religieuze beleving.
Dat zijn reële menselijke ervaringen. Maar zij vormen geen exclusief bewijs voor een bovennatuurlijke bron. De huid kan huiveren om vele redenen. Dat zij reageert op religieuze taal zegt misschien meer over de mens dan over God.
