Soera 28:82: “Zij die Allah verwerpen, zullen nooit voorspoedig zijn.”
Een van de meer opmerkelijke verzekeringen in de Koran is de stellige verklaring dat zij die Allah verwerpen nooit voorspoedig zullen zijn. Het is een stoutmoedige bewering. Niet bescheiden. Niet voorwaardelijk. Niet metaforisch. Nooit voorspoedig.
Het probleem met dergelijke religieuze zekerheden openbaart zich, zoals zo vaak, wanneer zij in botsing komen met de werkelijkheid.
Indien met “voorspoed” wereldlijke voorspoed wordt bedoeld — materiële welvaart, wetenschappelijke vooruitgang, burgerlijke bloei — dan levert de moderne wereld een tamelijk ongemakkelijke tegenwerping. De meest welvarende samenlevingen zijn niet theocratisch. Zij worden niet bestuurd door geestelijken. Zij onderwerpen hun wetgeving niet aan openbaring. Integendeel: de landen die het sterkst vasthouden aan goddelijke autoriteit blijken vaak achter te blijven op precies die terreinen waar kritische reflectie, wetenschappelijke scepsis en seculiere instituties de ruimte krijgen.
Dat ligt niet aan een vermeend gebrek aan intelligentie onder gelovigen — de geschiedenis spreekt dat onmiddellijk tegen — maar aan systemen waarin openbaring als definitieve waarheid wordt gepresenteerd. Wanneer een samenleving verklaart dat de ultieme waarheid reeds is gegeven, ontmoedigt zij impliciet het ongemakkelijke werk van herziening en tegenspraak.
De wetenschappelijke revolutie ontstond niet uit vroomheid alleen. Zij ontstond uit twijfel. Uit de bereidheid om te vragen of overgeleverde kosmologieën misschien onjuist waren. Uit de vrijheid om onwelgevallige conclusies te publiceren zonder angst voor blasfemiewetten of religieuze represailles.
Als “voorspoed” dus wereldlijke bloei betekent, dan bezwijkt de stelling onder haar eigen gewicht.
Misschien wordt met “voorspoed” dan geestelijk succes bedoeld. In dat geval wordt de uitspraak echter onweerlegbaar — en dus immuun voor bewijs. Wie zichtbaar succesvol is maar ongelovig, is in werkelijkheid innerlijk verloren; wie vroom is maar arm, is in feite zegevierend. Men herkent hier een bekend theologisch mechanisme: herdefinieer de termen zodanig dat tegenspraak onmogelijk wordt.
Wat echter werkelijk interessant is, is niet zozeer de waarheidsvraag, maar de functie van de bewering. Een doctrine die haar aanhangers verzekert dat andersdenkenden “nooit voorspoedig” zullen zijn, werkt als een psychologische stabilisator. Zij ontmoedigt afgunst op de succesvolle buitenstaander. Zij biedt geruststelling dat zichtbare ongelijkheid slechts tijdelijk is. Zij sluit twijfel af door toekomstige rechtvaardiging te beloven.
In die zin functioneert het vers minder als voorspelling dan als bescherming van het geloofssysteem.
De geschiedenis leert immers dat beschavingen bloeien wanneer zij ketterij verdragen, wanneer zij kritiek toelaten, wanneer zij de vrijheid geven aan onderzoek en redelijke twijfel. Niet wanneer zij vragen vooraf beantwoorden met beroep op heilige autoriteit.
De tragedie is niet dat religieuze teksten grote claims maken — dat is hun aard. De tragedie ontstaat wanneer zulke claims worden gelezen als empirische beschrijvingen van de werkelijkheid, in plaats van als theologische stellingen binnen een geloofskader.
Want buiten dat kader blijkt voorspoed geen kwestie van metafysische loyaliteit, maar van instituties, onderwijs, rechtsstaat, innovatie en vrijheid.
En dat, zou men kunnen zeggen, is de ware ketterij.
Als u wilt, kan ik ook:
- een nog scherpere, meer provocerende versie schrijven,
- of een tegenessay formuleren vanuit een islamitisch perspectief dat dit vers verdedigt,
- of een zuiver analytische (niet-retorische) filosofische bespreking geven.
