Er wordt ons in Qur’an 28:59 verzekerd dat geen stad wordt vernietigd voordat zij eerst een boodschapper heeft ontvangen, en dat vernietiging slechts volgt wanneer haar inwoners “onrechtvaardig” zijn. Wat een opmerkelijk bureaucratisch universum wordt hier voorgesteld: eerst de hemelse kennisgeving, daarna de apocalyptische sanctie. Een soort kosmisch administratiekantoor waar dossiers worden bijgehouden voordat het vuur uit de hemel valt.
Op het eerste gezicht klinkt dit als een geruststelling. Geen straf zonder waarschuwing; geen vergelding zonder aankondiging. Maar wie iets verder denkt, ziet dat dit geen morele verfijning is, doch een morele rationalisatie. Want wat betekent het om een “stad” te vernietigen? Steden bestaan niet als morele agenten. Zij bevatten mensen: gelovigen, twijfelaars, dissidenten, kinderen, zuigelingen, dieren. Collectieve vernietiging is per definitie blind voor individuele schuld. Een almachtig wezen dat rechtvaardigheid claimt maar tegelijk hele populaties uitwist, bedrijft geen rechtspraak maar vergelding op industriële schaal.
De verdediging luidt dan dat men eerst een boodschapper heeft gezonden. Maar hier verschuift het begrip “onrechtvaardigheid” op subtiele wijze. Onrecht wordt niet uitsluitend gedefinieerd als moord, diefstal of tirannie; het wordt theologisch geladen. Het verwerpen van de boodschapper — het uitspreken van twijfel, het vragen om bewijs — kan reeds gelden als schuld. En zo wordt scepsis moreel gecriminaliseerd. Wat gepresenteerd wordt als rechtvaardige procedure blijkt een test van gehoorzaamheid.
Men moet bovendien geloven dat iedere vernietigde stad haar hemelse memo daadwerkelijk ontving en begreep. Dat elke aardbeving, elke storm, elke historische ondergang in wezen een doelgerichte morele afrekening was. Dit veronderstelt een universum waarin natuurkrachten fungeren als verlengstukken van morele woede. Maar de moderne kennis van geologie en meteorologie toont een wereld die onverschillig is voor menselijke deugd of ondeugd. Aardplaten verschuiven niet uit morele verontwaardiging.
Het vers fungeert dus als een preventieve vrijspraak van de goddelijke macht. Als een stad wordt vernietigd, dan moet zij schuldig zijn geweest. Hoe weten wij dat? Omdat zij werd vernietigd. De cirkel is gesloten, het debat beëindigd. Dit is geen argument; het is een sluitmechanisme. Het beschermt de these tegen weerlegging door elke uitkomst als bevestiging te interpreteren.
Wat hier werkelijk wordt verdedigd is niet rechtvaardigheid, maar autoriteit. De almacht wordt niet getemperd door genade, maar gelegitimeerd door een voorafgaande waarschuwing die niemand kan verifiëren en die twijfel bij voorbaat als misdaad bestempelt. Het is een systeem waarin macht zichzelf rechtvaardigt door te verklaren dat zij altijd rechtvaardig handelt.
En zo blijft de fundamentele vraag staan: als een god werkelijk rechtvaardig is, waarom zou hij dan hele steden vernietigen in plaats van individuen te overtuigen? Waarom het spektakel van collectieve ondergang in plaats van het stille werk van morele overreding? Het antwoord dat het vers geeft is: omdat zij “onrechtvaardig” waren. Het antwoord dat de rede geeft is: dat is precies wat tirannen altijd zeggen.”
