Soera 6:101 zegt: “Hij heeft alle dingen geschapen en Hij heeft kennis van alle dingen.”
Als dit letterlijk wordt genomen, dan claimt de tekst een entiteit die absolute creativiteit en totale kennis bezit — een wezen dat alles heeft gemaakt en alles weet. Het eerste probleem is logisch: als één entiteit alles kent en alles heeft geschapen, waarom is de wereld dan vol onlogica, leed, willekeur en mislukking? Absolute kennis zou perfect ontwerp, coherentie en voorspelbaarheid vereisen. Wat we zien is chaos, imperfectie en moraal-inconsistentie.
Ten tweede: de claim is onbewijsbaar. Er is geen empirisch bewijs dat een enkele schepper alles heeft gemaakt of alles kent. Het is een oncontroleerbare veronderstelling, een autoriteitsclaim verpakt als universele waarheid. Het is epistemologisch vacuüm dat elke kritiek of vraag onmiddellijk immuun maakt: wie kan iets betwisten dat per definitie alles weet?
Ten derde: de psychologische impact van zo’n claim is diepgaand. Als een almachtige, alwetende schepper zowel schepper als rechter is, wordt elk falen, ongeluk of mislukking een persoonlijke morele tekortkoming van de schepselen. Dit versterkt schuldgevoel, afhankelijkheid en onderwerping. Leren van fouten, kritisch denken of autonomie wordt problematisch omdat de almacht alles weet en elk oordeel buiten de schepselen ligt.
Kortom: het vers presenteert een universeel claim van almacht en alwetendheid, maar in werkelijkheid creëert het een paradox: een wereld vol onvolmaaktheid onder een verondersteld perfect ontwerp, en een psyche gevangen in schuld, angst en afhankelijkheid. Het is geen verklaring, maar een retorisch schild tegen kritische vragen — precies zoals Hitchens zou zeggen: een claim van onweerlegbare autoriteit verpakt als wijsheid.
“Als Hij alles heeft geschapen en alles weet, waarom is de wereld dan vol chaos, leed en falen?”
