De Koran claimt dat de Farao en zijn leiders werden “vernietigd” in de zee, een klassieke dramatische climax. Historisch gezien stierf Ramses II in 1213 v.Chr., op een zeer hoge leeftijd aan natuurlijke oorzaken; er is geen enkel spoor van verdrinking of gewelddadige dood. Hier wordt een verhaal van kosmische gerechtigheid verkocht als historische feitelijkheid, terwijl de realiteit het volledig tegenspreekt. Het is een klassiek voorbeeld van religieuze retoriek die ontzag en morele les boven waarheid plaatst: een almachtige Schepper die dwingt tot bewondering, terwijl het bewijs, archeologisch of historisch, volledig ontbreekt.
In Hitchens’ termen: het verhaal is een morale spektakelshow, geen geschiedenis. Het laat zien hoe religieuze teksten hun eigen dramatiek boven objectieve werkelijkheid plaatsen, en hoe geloof wordt gevraagd waar bewijs ontbreekt.
De Koran zegt dat de Farao verdronk, maar historisch stierf Ramses II op hoge leeftijd van natuurlijke oorzaken. Het verhaal verkoopt kosmische gerechtigheid als feit, terwijl de werkelijkheid het volledig tegenspreekt — een spektakel voor ontzag, geen geschiedenis.
Als een almachtige Schepper werkelijk de waarheid over menselijk en historisch gebeuren kent, waarom wijkt de Koran dan volledig af van de feiten? Waarom wordt de dood van de Farao opgeblazen tot dramatisch epos, terwijl archeologisch bewijs en zijn eigen geschiedenis het tegenspreken? Hoe kan geloof worden gebaseerd op een verhaal dat niet overeenkomt met realiteit? Waarom ontbreekt elk fysiek spoor van verdrinking of massale vernietiging, en waarom wordt het verslag gepresenteerd alsof het historische zekerheid biedt? In wezen vraagt de tekst van de lezer ontzag voor autoriteit, niet verificatie; geloof wordt vereist op basis van woorden, niet op basis van bewijs.

