De ruimte tussen hemel en aarde


Koranvers 19:65 zegt letterlijk:

“Er is enkel hemel en aarde en de dingen ertussen.”


Vanuit modern wetenschappelijk perspectief roept de formulering “hemel en aarde en de dingen ertussen” een duidelijk probleem op. Ze suggereert een lineaire, begrensde ruimte — alsof er een boven (hemel), een beneden (aarde) en daartussen een afgebakende zone bestaat waarin zich “dingen” bevinden. De hedendaagse kosmologie kent echter geen dergelijke structuur. Voor zover wij kunnen meten, is het heelal immens en mogelijk oneindig. Hemel en aarde vormen geen tegenover elkaar liggende grenzen van een gesloten systeem; het universum bestaat uit miljarden sterrenstelsels, zwarte gaten, interstellaire materie en uitgestrekte lege ruimte. Er is geen “tussenruimte” zoals het vers op het eerste gehoor lijkt te suggereren. Universum, zon, aarde, sterren en planeten vormen een samenhang. Dus niet een hiërarchie van “hemel → dingen ertussen → aarde”. Letterlijk genomen geeft het vers dus een voorstelling van de kosmos die niet overeenkomt met moderne wetenschappelijke inzichten.

Het vers kan begrepen worden als een weerspiegeling van het perspectief van een waarnemer op aarde, bijvoorbeeld midden in een woestijn waar de directe visuele ervaring het wereldbeeld bepaalt. Vanuit dat standpunt lijkt de aarde vlak, met een cirkelvormige horizon die de indruk wekt dat men zich in het midden van een grote schijf bevindt. Wanneer men omhoogkijkt, verschijnt de hemel als een massieve blauwe koepel die altijd zijn hoogste punt recht boven het hoofd lijkt te hebben en die ogenschijnlijk rust op of voorbij de horizon. Binnen dit menselijke, lokale perspectief klopt de beschrijving volledig: alles wat zichtbaar is, bevindt zich tussen aarde en hemel — precies zoals het vers het formuleert.De Koran beschrijft de wereld vanuit menselijk perspectief (hoe we dingen ervaren), in plaats van een feitelijke, wetenschappelijke uitleg van het universum te geven. Het gaat om concreet, betekenisgevend taalgebruik gebaseerd op directe waarneming, in plaats van om een allesomvattende, filosofische theorie over het heelal”

Islamgeleerden nemen de nooduitgang’ en verklaren dit vers als symbolisch.

Wanneer een vers eeuwenlang als letterlijke en goddelijke waarheid wordt verkondigd, maar op het moment dat het botst met astronomie plots “symbolisch” blijkt te zijn, dan is dat geen theologie maar intellectuele acrobatiek. “Symbolisch” wordt dan geen uitleg, maar een noodluik — dat opengeklapt wordt zodra de werkelijkheid te hard tegen de tekst botst.

Als het werkelijk symboliek is, zeg dan waarom het er staat, wat het betekent, en waarom het zo concreet kosmologisch geformuleerd is. Maar als die uitleg uitblijft en het woord “symbolisch” alleen verschijnt wanneer wetenschap in beeld komt, dan is het strategische communicatie in plaats van oprechte interpretatie.

Een openbaring die alleen letterlijk is zolang ze niet weerlegd wordt, en metaforisch zodra ze onder druk staat, verdedigt geen waarheid — ze verdedigt zichzelf.