Christopher Hitchens zou deze verzen waarschijnlijk niet lezen als een verheven morele openbaring, maar als een klassiek voorbeeld van religieuze macht die gehoorzaamheid presenteert als deugd. De eerste zeven verzen van Quran soera 23 definiëren meteen wie “succesvol” is: niet de onafhankelijke denker, niet de kritische zoeker, maar degene die zich onderwerpt, rituelen uitvoert en seksuele regels volgt. Dat is veelzeggend.
De tekst begint met een gesloten systeem. De gelovige is succesvol omdat hij gelovig is. De maatstaf van succes wordt door de religie zelf bepaald. Dat is geen argument, maar een cirkelredenering. De religie verklaart haar eigen aanhangers tot moreel geslaagd en presenteert dat vervolgens als waarheid.
Daarna volgt het bekende religieuze ideaal van onderwerping. De ideale mens is degene die bidt “met volledige nederigheid” en zich afwendt van wat als nutteloos of verkeerd wordt beschouwd. Maar wie bepaalt wat “ijdel”, “verdorven” of “verboden” is? Niet het individu. Niet het open debat. Niet kritisch onderzoek. De religieuze autoriteit bepaalt de grenzen van het toelaatbare denken en spreken.”. Dat is precies waarom georganiseerde religie historisch zo vaak botst met satire, kritiek en intellectuele vrijheid.
Maar het meest problematische deel zit in vers 6:
“Behalve hun vrouwen of de gevangenen en slaven die zij bezitten.”
Dat ene vers vernietigt onmiddellijk elke poging om deze passage als universeel moreel ideaal te presenteren. Hier wordt niet simpelweg een historische realiteit beschreven; hier wordt seksuele toegang tot slavinnen expliciet gelegitimeerd. De tekst maakt een uitzondering op seksuele restricties voor vrouwen die juridisch bezit zijn. Dat is de kern van het probleem.
Apologeten proberen dit vaak te verzachten door te zeggen dat slavernij “normaal” was in de zevende eeuw. Maar dat argument werkt juist tégen de claim van goddelijke moraal. Een almachtige morele openbaring had slavernij kunnen verbieden. Zij had kunnen zeggen dat geen mens een ander mens mag bezitten. In plaats daarvan wordt het systeem erkend en geïntegreerd in de seksuele ethiek.
Dat is niet zomaar een detail. Het onthult de echte structuur van de moraal in deze verzen: gehoorzaamheid boven autonomie, hiërarchie boven gelijkwaardigheid. Seksuele moraal blijkt niet gebaseerd op wederzijdse toestemming, maar op status. Vrije vrouwen vallen onder exclusiviteit; slavinnen vallen onder bezit.
Is goddelijke moraal tijdloos en absoluut, of slechts een weerspiegeling van zevende-eeuwse machtsstructuren? Voor critici is juist dát de kern van het probleem. Het argument ‘iedereen deed het toen’ verklaart waarom slavernij historisch bestond, maar niet waarom een vermeend volmaakte moraal ervoor kiest zich eraan aan te passen in plaats van haar te verwerpen.
Dat is waarom Hitchens religie vaak beschreef als een systeem dat absolute macht heilig maakt. De gelovige leert niet zelfstandig moreel redeneren, maar leert zich onderwerpen aan regels die als goddelijk worden gepresenteerd. Zodra een regel “van God” komt, verdwijnt normaal moreel onderzoek naar de achtergrond. Zelfs slavernij kan dan worden verdedigd als onderdeel van een hogere wijsheid.
De ironie is dat zulke passages vaak worden gepresenteerd als bewijs van morele superioriteit. Maar vanuit modern ethisch perspectief tonen zij juist hoe sterk oude religieuze teksten verweven zijn met de machtsstructuren van hun tijd: patriarchie, slavernij, seksuele controle en gehoorzaamheid aan autoriteit.
Dat is uiteindelijk het centrale probleem van deze verzen. Zij verheffen onderwerping tot ideaal en noemen dat vervolgens succes.
Als je deze verzen leest in de stijl van Christopher Hitchens, moet je beginnen met het doorprikken van de centrale claim: “de gelovigen zijn succesvol.” Dat is geen observatie, maar een definitie die zichzelf bevestigt. Succes wordt hier niet gemeten aan menselijk welzijn, vrijheid of waarheid, maar aan gehoorzaamheid. Het is een gesloten systeem: wie voldoet, is per definitie succesvol; wie dat niet doet, faalt. Dat is geen argument, dat is een cirkelredenering.
Vervolgens krijgen we een lijst gedragingen die deze “succesvolle” mens typeren. Bidden met nederigheid klinkt onschuldig, zelfs prijzenswaardig, totdat je beseft dat het een vorm van zelfonderwerping is die als deugd wordt verheven. Niet kritisch denken, niet onderzoeken, maar knielen en gehoorzamen. Het ideaal is niet de autonome mens, maar de gedisciplineerde gelovige die zijn eigen geest tempert.
Dan het vermijden van “loze praat”. Op het eerste gezicht een oproep tot zinvolle communicatie, maar wie bepaalt wat “loos” is? In religieuze context betekent dit vaak: alles wat de doctrine uitdaagt of relativeert. Humor, twijfel, satire — precies de middelen waarmee macht ter verantwoording wordt geroepen — kunnen zo eenvoudig als moreel inferieur worden weggezet. Dat is geen morele verheffing, maar controle over wat gezegd mag worden
De verplichting tot zakat wordt vaak gepresenteerd als sociaal rechtvaardig, en dat is het gedeeltelijk ook. Maar het blijft liefdadigheid binnen een religieus kader, geen structurele kritiek op sociale ongelijkheid zelf. Het systeem dat armoede produceert blijft buiten schot; de gelovige koopt zich moreel vrij door te geven. Dat is verlichting van symptomen, geen oplossing van oorzaken.
De nadruk op kuisheid is klassiek religieus terrein: regulering van het lichaam, en vooral van seksualiteit. Wat hier opvalt is niet alleen de beperking, maar de obsessie met controle. Seksualiteit wordt niet gezien als een wederkerige menselijke ervaring, maar als een potentieel gevaar dat ingedamd moet worden. De morele waarde ligt niet in consent of welzijn, maar in conformiteit aan opgelegde grenzen.
En dan komen we bij het punt waar elke hedendaagse verdediging zichtbaar begint te kraken: de expliciete uitzondering voor “wie men in bezit heeft.” Dit is geen randdetail; het is een directe erkenning van slavernij en seksuele toegang tot diegenen die als eigendom worden beschouwd. Elke poging om dit te verzachten met historische context mist de kern. Het probleem is niet dat het destijds voorkwam — dat weten we — maar dat het in de koran zonder morele veroordeling wordt toegestaan.
Als een tekst pretendeert tijdloos en goddelijk te zijn, dan kan ze zich niet verschuilen achter haar tijdgebondenheid. Een werkelijk moreel vooruitstrevende boodschap had slavernij ondubbelzinnig verworpen. Dat gebeurt hier niet. In plaats daarvan wordt een destijds bestaande machtsverhouding gelegitimeerd.
Tot slot wordt de grens scherp getrokken: wie buiten deze regels treedt, is een overtreder. Geen ruimte voor nuance, geen erkenning van veranderende inzichten, geen groei. Het is een systeem dat conformiteit verkiest boven open waarheidsvinding, en gehoorzaamheid boven vrijheid.
Samengevat: deze verzen presenteren een strak gereguleerd model van de mens, waarin discipline, onderwerping en conformiteit centraal staan. Ze bevatten elementen die sociaal nuttig kunnen zijn, zoals zorg voor de armen en nadruk op zelfbeheersing. Maar ze doen dat binnen een kader dat kritiek ontmoedigt, vrijheid beperkt en — op cruciale punten — moreel tekortschiet naar moderne maatstaven.
In Hitchens’ geest zou je zeggen: dit is geen open zoektocht naar hoe we beter kunnen leven, maar een gesloten instructieboek dat beweert het antwoord al te hebben — en daarmee precies het soort denken ontmoedigt dat echte vooruitgang mogelijk maakt.
