Satan als dienaar van Allah

Koran 19:83

”Heb jij niet gezien dat Wij de duivels naar de ongelovigen sturen om hen aan te zetten (tot zonde/opstand)?”

 


Er is iets fundamenteel verontrustends aan dit vers. Het stelt, zonder omwegen, dat God zelf de duivels naar ongelovigen stuurt om hen verder te misleiden. Dit is geen randopmerking, maar een directe bewering over hoe de wereld moreel functioneert.

De gebruikelijke verdediging luidt dat deze mensen “al verkeerd zaten” en dat de duivels hen slechts verder op dat pad brengen. Maar dat roept onmiddellijk een probleem op. Als iemand al afdwaalt, en God besluit vervolgens actief krachten te sturen die hem nog verder laten afdwalen, wie draagt dan uiteindelijk de verantwoordelijkheid? De mens — of degene die de misleiding faciliteert?

Het vers lijkt daarmee een merkwaardige verschuiving te maken: van een God die mensen leidt naar waarheid, naar een God die — in bepaalde gevallen — actief bijdraagt aan hun dwaling. Dat is geen passieve tolerantie van kwaad; dat is deelname eraan, zij het indirect.

Men kan proberen dit te verzachten door te spreken over “beproeving” of “rechtvaardige vergelding”. Maar die woorden veranderen weinig aan de kern: misleiding wordt hier niet alleen toegestaan, maar georganiseerd. Het idee dat waarheid het doel is, wordt zo ondermijnd door een mechanisme dat juist onwaarheid versterkt.

En dan is er de vraag van rechtvaardigheid. Hoe zinvol is het om iemand te oordelen voor zijn dwaling, wanneer diezelfde dwaling — volgens de tekst — wordt aangewakkerd door goddelijke tussenkomst? Een test veronderstelt een eerlijke kans. Maar een test waarbij de examinator zelf extra obstakels plaatst bij bepaalde kandidaten, verliest al snel zijn geloofwaardigheid.

Wat hier zichtbaar wordt, is een spanningsveld dat vaker voorkomt in religieuze teksten: de poging om zowel absolute goddelijke controle als menselijke verantwoordelijkheid te behouden. Maar zodra God niet alleen de regels bepaalt, maar ook de misleiding inzet, wordt die balans moeilijk vol te houden.

Het komt erop neer dat zowel goed als kwaad van dezelfde bron lijken te komen. Daardoor wordt het verschil tussen rechtvaardigheid en onrecht minder duidelijk. En dat is precies het probleem: een vers dat beschrijft dat mensen verder in dwaling worden gebracht, roept tegelijk vragen op over wat rechtvaardigheid eigenlijk betekent.”

 


We krijgen hier een opmerkelijk beeld voorgeschoteld: God die duivels zendt naar ongelovigen — niet om hen te redden, niet om hen te corrigeren, maar om hen verder aan te zetten tot misleiding. Het is een theologisch detail dat men gemakkelijk over het hoofd ziet, maar dat bij nadere beschouwing allesbehalve onschuldig is.

Want wat betekent dit precies?

Als de duivels worden gestuurd, dan opereren zij niet onafhankelijk. Zij zijn geen rebellen buiten het systeem, maar instrumenten binnen het systeem. Hun rol is niet toevallig, maar functioneel. Misleiding wordt daarmee geen afwijking, maar een onderdeel van het plan.

En hier begint de spanning.

Want dezelfde traditie benadrukt voortdurend menselijke verantwoordelijkheid: mensen kiezen, mensen dwalen, mensen worden geoordeeld. Maar als de misleiding actief wordt aangewakkerd — en zelfs gestuurd — door een hogere macht, wat blijft er dan over van die keuze?

Het begint te lijken op een toneelstuk waarin sommige spelers niet alleen een rol krijgen, maar ook actief in een bepaalde richting worden geduwd — om vervolgens verantwoordelijk te worden gehouden voor het resultaat.

Dat is geen vrije wil. Dat is regie.

 


Vragen:

  • Wie stuurt de duivels volgens dit vers — en met welk doel?
  • Als God de duivels zendt om mensen te misleiden, in hoeverre is die misleiding dan nog zelfgekozen?
  • Wat betekent morele schuld nog, als de omstandigheden van die schuld van bovenaf worden bepaald?
  • Kan iemand eerlijk verantwoordelijk worden gehouden voor een pad waarop hij actief wordt gestuurd?
  • Zijn de duivels hier onafhankelijke krachten — of instrumenten binnen een goddelijk plan?
  • Is rechtvaardigheid nog betekenisvol als zij gepaard gaat ongelijke kansen?
  • Als misleiding van bovenaf wordt bestuurt, wie is dan uiteindelijk verantwoordelijk voor de misleiding?
  • Waarom zou een rechtvaardige God mensen eerst laten misleiden, om hen vervolgens daarvoor te bestraffen?
  • Is dit een test — of een vooraf beïnvloede uitkomst?
  • Kan een wezen “de meest rechtvaardige” zijn als het zelf bijdraagt aan de misleiding van degenen die het later beoordeelt?
  • Als dwaling wordt beïnvloed, hoe vrij is de keuze dan nog?
  • Als misleiding deel uitmaakt van het systeem, wordt ongeloof dan bestreden — of georkestreerd?
  • Kan een test eerlijk zijn als de uitkomst mede wordt beïnvloed door degene die test?
  • Als men wordt misleid maar toch verantwoordelijk is, is het dan een falend systeem?
  • Is het eerlijk om iemand te beoordelen op een pad waar hij doelbewust van wordt afgeweken?