Soera 33:59. ”O Profeet! Zeg tegen uw vrouwen, uw dochters en de vrouwen van de gelovigen dat zij hun sluiers volledig over hun lichaam moeten trekken (d.w.z. zich volledig moeten bedekken, behalve de ogen of één oog om de weg te kunnen zien). Dat is beter, zodat zij herkend worden (als vrije, respectabele vrouwen) en niet lastiggevallen worden.”
Men zou kunnen denken dat het woord “vrij” in een religieuze tekst een verheffende betekenis draagt. Iets in de richting van autonomie, zelfbeschikking, misschien zelfs waardigheid als universeel beginsel. In werkelijkheid blijkt het begrip hier een stuk minder verheven en een stuk meer administratief. De “vrije vrouw” is niet vrij in de zin dat zij haar eigen keuzes maakt, maar vrij in de zin dat zij niet tot de categorie bezit behoort. Het is een juridische status, geen morele overwinning.
En juist daar begint het ongemak. Want zodra vrijheid een label wordt dat slechts op een deel van de bevolking van toepassing is, wordt het tegelijkertijd een instrument van uitsluiting. Als de vrije vrouw beschermd moet worden — herkenbaar, bedekt, respectabel — wat zegt dat dan over de vrouw die niet onder die definitie valt? Het antwoord wordt niet uitgesproken, maar het hangt zwaar in de lucht: niet iedereen is evenzeer beschermd, en blijkbaar ook niet evenzeer waard.
Het is een opmerkelijke vorm van morele boekhouding. Respect wordt niet verondersteld als iets dat ieder mens toekomt, maar als iets dat zichtbaar gemaakt moet worden. De vrije vrouw moet zich markeren, onderscheiden, coderen in stof en vorm, zodat zij niet verward wordt met degenen die buiten de beschermde categorie vallen. Haar lichaam wordt een paspoort; haar kleding een visumstempel van respectabiliteit.
En wat te denken van de ironie die hier onvermijdelijk opduikt? De “vrije” vrouw is vrij voor zover zij zich houdt aan een voorschrift dat haar uiterlijk en gedrag reguleert. Haar vrijheid bestaat uit het correct naleven van een code die haar herkenbaar maakt als iemand die bescherming verdient. Dat is geen vrijheid in enige betekenis die het woord eer aandoet; het is conformiteit met privileges.
De onvrije vrouw — de vrouw zonder dat label — verdwijnt ondertussen naar de achtergrond van het morele toneel. Niet expliciet veroordeeld, maar impliciet gedegradeerd. Als bescherming gekoppeld is aan herkenbaarheid als “respectabel”, dan wordt het ontbreken van die herkenning al snel gelezen als een gebrek aan respectabiliteit zelf. Het is een subtiele, maar effectieve verschuiving: van status naar waardeoordeel.
Wat overblijft is geen universele ethiek, maar een systeem van gelaagde waardigheid. Vrijheid wordt niet uitgebreid, maar verdeeld. Bescherming wordt niet gegarandeerd, maar toegekend. En respect is geen uitgangspunt, maar een beloning voor zichtbare gehoorzaamheid.
Men kan dit verdedigen als een product van zijn tijd, een pragmatische oplossing in een specifieke sociale context. Maar dat verandert weinig aan de onderliggende logica. Een moraal die onderscheid maakt in wie bescherming verdient en wie niet, en die dat onderscheid zichtbaar maakt op het lichaam van vrouwen, is geen moraal die bevrijdt. Het is een moraal die classificeert.
En classificatie, hoe subtiel ook verpakt, is zelden een synoniem voor rechtvaardigheid.

