Koran: 7:10. En Wij hebben u inderdaad gezag over de aarde gegeven en voor u daarin voorzieningen getroffen (voor uw leven). Maar u betuigt weinig dankbaarheid.’
Er is iets opvallend handigs aan Koran 7:10. Je wordt zonder overleg op aarde gezet, krijgt een pakketje basisvoorzieningen mee—lucht, water, een beetje bewustzijn—en voordat je goed en wel hebt door wat er gebeurt, ligt er al een evaluatie klaar: “jullie zijn weinig dankbaar.” Dat is efficiënt. Geen bureaucratie, geen intakegesprek, meteen een morele beoordeling.
De tekst presenteert het bestaan als een voorziening, maar wel een voorziening met een ingebouwde verwachting. En niet zomaar een verwachting maar een norm — dankbaarheid als correcte houding. Het alternatief is niet neutraliteit, maar tekortschieten. Dat maakt het concept ineens een stuk minder charmant en een stuk meer verplichtend.
En dan komt het interessante deel: wie is hier eigenlijk ondankbaar? De mens, blijkbaar. Massaal zelfs. Het klinkt bijna alsof ondankbaarheid geen uitzondering is, maar de standaardinstelling. Wat op zichzelf een fascinerende ontwerpkeuze zou zijn, als je bedenkt dat dezelfde bron verantwoordelijk is voor dat ontwerp. Het is een beetje alsof een fabrikant klaagt dat al zijn producten structureel hetzelfde mankement vertonen.
Men zou kunnen zeggen: ja, maar de mens heeft ook het vermogen om dankbaar te zijn. Dat klopt. Maar hij heeft blijkbaar ook een hardnekkige neiging om dat níet te zijn—zo hardnekkig dat het een collectieve berisping rechtvaardigt. De vraag dringt zich dan op: is dit een morele fout, of gewoon hoe het systeem van de mens werkt?
Wat deze tekst vooral goed doet, is de rollen helder verdelen. Er is een gever, er is een ontvanger, en er is een verwachting. Alleen ontbreekt één klein detail: toestemming. Niemand heeft zich aangemeld voor deze regeling die voor ons is getroffen.. Er is geen moment geweest waarop iemand zei: “Ja, zet mij maar op aarde, geef me bestaansmiddelen, en beoordeel me daarna op mijn mate van dankbaarheid.” En toch wordt precies dat scenario gepresenteerd alsof het de normaalste zaak van de wereld is
.Het “geschenk” in Koran 7:10 is geen enkelvoudig gebaar, maar een dubbelzinnige toekenning: enerzijds levensonderhoud—de middelen om überhaupt te bestaan—en anderzijds een verheven positie—de mens als beheerder of drager van gezag op aarde. Juist deze combinatie maakt de oproep tot dankbaarheid problematisch. Want als het levensonderhoud slechts dient om een opgelegd bestaan in stand te houden, wordt dankbaarheid daarvoor al minder vanzelfsprekend. Daar komt bij dat het zogenoemde “gezag” niet eenvoudig als geschenk kan worden gezien, maar eerder als een verantwoordelijkheid, inclusief impliciete verwachtingen en voorwaarden. Men ontvangt dus niet alleen middelen, maar ook een rol waarvoor een bepaalde houding wordt verlangd. In dat licht verschuift het karakter van het “geschenk”: wat als vrijgevigheid wordt gepresenteerd, lijkt eerder een systeem waarin bestaan en verplichting onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.
In Koran 7:10 wordt gesteld dat de mens “gezag over de aarde” heeft gekregen, maar wat dat concreet betekent, blijft vaag. Als dit gezag individueel bedoeld is, dan klopt het niet met de werkelijkheid: mensen hebben geen gelijke macht en zijn voortdurend met elkaar in conflict over macht en controle. Je kunt niet miljarden gezaghebbers hebben zonder dat dit begrip zijn praktische betekenis verliest. Als het collectief bedoeld is—de mensheid als geheel—dan is het een abstract idee dat weinig zegt over de positie van het individu. In beide gevallen ontstaat er een spanning: het vers spreekt over een gegeven gezag, terwijl de realiteit laat zien dat gezag ongelijk verdeeld is en voortdurend wordt betwist of bevochten
- Als de mens — zoals het vers stelt — structureel ondankbaar is, dan is dat geen toevallige afwijking maar een kenmerk van zijn natuur. Maar die natuur is, volgens dezelfde theologie door God geschapen. De mens wordt dus verantwoordelijk gehouden voor een tekortkoming die ingebouwd lijkt in zijn systeem. Het is een beetje alsof een fabrikant klaagt dat al zijn producten structureel hetzelfde mankement vertonen.
- Is deze voorziening werkelijk een gunst, of slechts het managen van afhankelijkheid en onderwerping?
- Waarom zou men dankbaar moeten zijn voor een bestaan waar men nooit om heeft gevraagd?
- Als één partij het leven oplegt en de voorwaarden dicteert, op welke grond kan dan nog dankbaarheid worden verlangd?
- Als ik zonder inspraak op aarde ben gezet, is het dan niet vanzelfsprekend dat daar een morele verplichting uit volgt?
- Is ondankbaarheid een defect in het menselijk systeem, of juist een ingebouwde functie? Als het een functie is, waarom wordt zij dan als falen veroordeeld? En als het een defect in het ontwerp is, dan ligt de verantwoordelijkheid niet bij de mens, maar bij het ontwerp zelf.
Soera 7:10 en het probleem van “voorziening”
Soera 7:10 stelt dat de mens op aarde is geplaatst, voorzieningen heeft gekregen en ondankbaar is. Dat klinkt logisch: wie ontvangt, moet dankbaar zijn. Maar die redenering houdt geen stand als je kijkt naar de basis.
De mens heeft niet gekozen om te bestaan. Hij heeft niet gekozen om behoeften te hebben. Honger, dorst en afhankelijkheid zijn geen keuzes, maar voorwaarden van het bestaan zelf.
De mens heeft behoeften, maar de vervulling ervan wordt gepresenteerd als Gods voorziening waarvoor dankbaarheid wordt verwacht. Daarmee is die voorziening geen geschenk, maar het in stand houden van afhankelijkheid.
Daar komt nog iets bij. De wereld functioneert zonder dankbaarheid. Voedsel groeit, regen valt en mensen leven — of ze nu dankbaar zijn of niet. Dankbaarheid maakt niet het verschil in voorzieningen. Het zorgt niet voor meer voedsel, minder armoede of een eerlijkere verdeling.
En toch wordt dankbaarheid verplicht.
Waarom? Niet omdat het iets doet in de wereld, maar omdat het iets doet met de mens. Het vormt gedrag. Het leert afhankelijkheid accepteren, ontzag tonen en zich voegen naar een hogere macht. Die houding wordt versterkt door beloning en straf. Hemel en hel.
Daarmee verschuift de betekenis van dankbaarheid. Het is geen spontane reactie meer, maar een eis. En dat gezag is geen geschenk, maar een gegeven positie binnen een systeem waarin de mens geen alternatief heeft.
Als dankbaarheid geen invloed heeft op de voorzieningen, maar wel verplicht is, dan gaat het niet om de voorzieningen, maar om controle over de mens.
Vragen:
- Als voorzieningen afhankelijk zijn van klimaat, politiek en economie, in welke zin zijn ze dan “gegeven”?
- Waarvoor moet iemand dankbaar zijn als basisvoorzieningen ontbreken?
- Waarom blijft de verwachting van dankbaarheid gelijk terwijl de omstandigheden dat niet zijn?
- Als wat je hebt vooral afhangt van waar je geboren wordt, waarvoor ben je dan precies dankbaar?
- Wanneer dankbaarheid geen rekening houdt met omstandigheden, is het dan nog een deugd — of een opgelegde houding?
