De Koran 39:36 luidt ongeveer:
“Is Allah niet voldoende voor Zijn dienaar? Toch proberen zij jou angst aan te jagen met degenen naast Hem. En wie Allah laat dwalen — voor hem is er geen gids.”
Op het eerste gezicht klinkt het vers troostend. God beschermt Zijn dienaar. De gelovige hoeft niet bang te zijn zolang Allah aan zijn zijde staat. Maar onder die geruststellende taal schuilt een psychologische structuur die vanuit een kritisch, Hitchensiaans perspectief diep problematisch wordt.
Want het vers zegt niet alleen dat Allah bescherming biedt. Het zegt ook dat Allah bepaalt wie verdwaalt.
En precies daar ontstaat de spanning.
De gelovige krijgt veiligheid aangeboden tegen een toestand — verdwaling — die uiteindelijk eveneens onder controle van Allah staat. Dat maakt de afhankelijkheid totaal. De mens moet zich onderwerpen aan dezelfde macht die zowel de dreiging als de bescherming beheerst.
Dat lijkt sterk op een systeem van spirituele chantage.
Eerst wordt een existentieel gevaar benadrukt: verdwaling, verlatenheid, verlies van leiding. Vervolgens wordt veiligheid aangeboden — maar uitsluitend binnen gehoorzaamheid aan dezelfde absolute autoriteit. De structuur wordt dan bijna onthutsend eenvoudig:
Zonder Allah ben je verloren.
Alleen Allah kan je beschermen.
Maar Allah bepaalt ook wie verloren raakt.
Vanuit een Hitchensiaanse analyse is dat moreel en intellectueel problematisch omdat de mens hier niet vrij wordt benaderd als autonoom wezen dat overtuigd moet worden via bewijs, rede of open onderzoek. In plaats daarvan wordt hij psychologisch onder druk gezet door angst voor verdwaling en kosmische onzekerheid.
Dat mechanisme is oeroud.
Eerst angst.
Dan bescherming.
Daarna afhankelijkheid.
Religieuze systemen begrijpen al eeuwen dat een angstige geest ontvankelijker wordt voor absolute autoriteit. Zodra de mens gelooft dat zijn veiligheid volledig afhangt van onderwerping aan een hogere macht, ontstaat een gesloten systeem waarin twijfel gevaarlijk begint te voelen en gehoorzaamheid psychologisch geruststellend wordt.
En precies daarom zou iemand als Christopher Hitchens spreken van spirituele chantage. Niet omdat religie alleen troost biedt, maar omdat die troost onlosmakelijk verbonden wordt aan dreiging. De bescherming krijgt pas betekenis nadat eerst angst, verdwaling en existentiële kwetsbaarheid centraal zijn gesteld.
De religie presenteert zich dan tegelijk als:
- diagnose,
- oorzaak,
- én enige remedie.
En dat maakt de relatie tussen mens en god minder een vrije zoektocht naar waarheid en meer een systeem van psychologische afhankelijkheid.
Daarmee onthult het vers misschien onbedoeld iets fundamenteels over religieuze macht: niet alleen de belofte van veiligheid, maar ook het monopolie op existentiële angst.
