Over de acht soorten vee

Soera 6:143–144
(over de acht soorten vee — schapen, geiten, kamelen en runderen — en de vraag welke door Allah verboden zouden zijn)

Er zit iets buitengewoon aards aan deze passage. Terwijl religie zichzelf graag presenteert als verheven kosmische waarheid, zien we hier de Almachtige van het universum verwikkeld in een discussie over veesoorten, fokdieren en voedselregels. De Schepper van miljarden sterrenstelsels houdt zich bezig met de vraag welke kamelen of schapen mensen wel of niet mogen eten.

En precies daarin ligt de High-Hitchens ironie.

Want de passage onthult hoe sterk openbaringsreligies verbonden blijven met de concrete economische wereld van hun ontstaan. Dit is geen tijdloze metafysica; dit is woestijnadministratie. Het vers weerspiegelt een samenleving waarin vee:

  • rijkdom betekende,
  • voedsel betekende,
  • status betekende,
  • overleving betekende.

De religieuze wetgeving beweegt zich volledig binnen het economische universum van een zevende-eeuwse pastorale cultuur.

En dat wordt nog opvallender wanneer men kijkt naar welke dieren genoemd worden:

  • schapen,
  • geiten,
  • kamelen,
  • runderen.

Dat zijn precies de dominante landbouw- en lastdieren van de Arabische wereld. Maar waar zijn:

  • lama’s,
  • alpaca’s,
  • rendieren,
  • yaks,
  • waterbuffels?

Veel van deze dieren waren al eeuwen vóór de islam gedomesticeerd. Toch lijken zij volledig buiten beeld te vallen. Dat roept een ongemakkelijke vraag op:

waarom oogt een zogenaamd universele openbaring zo regionaal?

Een scepticus zou zeggen dat dit precies is wat men verwacht van een tekst die ontstaat binnen een specifieke menselijke cultuur. Religieuze geschriften weerspiegelen vrijwel altijd de ecologische en economische werkelijkheid van hun omgeving. De Koran vormt daarop geen uitzondering. Haar wereld blijft opvallend lokaal:

  • woestijnecologie,
  • karavaancultuur,
  • Arabisch vee,
  • dadelpalmen,
  • olijfbomen,
  • en voedselwetten van een pastorale samenleving.

En natuurlijk probeert de tekst irrationele voedseltaboes van bepaalde Arabische stammen te corrigeren. Maar juist dat benadrukt opnieuw hoe historisch en cultureel ingebed de passage is. De openbaring beweegt zich exact binnen de horizon van haar eigen tijd.

Dat maakt de tekst niet betekenisloos — maar wel historisch herkenbaar.

En dan verschijnt opnieuw een klassiek religieus patroon:
de poging om alledaagse culturele regels kosmisch gezag te geven.

Voedselvoorschriften worden niet gepresenteerd als menselijke tradities of pragmatische gewoonten, maar als kwesties van goddelijke autoriteit. Wat gegeten mag worden, wordt onderdeel van een hemels juridisch systeem.

Dat is belangrijk, want controle over voedsel is nooit alleen biologisch geweest. Het is identiteitsvorming. Religies gebruiken eetregels om:

  • groepsgrenzen te creëren,
  • loyaliteit zichtbaar te maken,
  • dagelijks gedrag te reguleren.

Men eet niet alleen anders; men behoort anders.

Maar het meest opmerkelijke aspect blijft misschien de toon van absolute zekerheid. De tekst spreekt alsof de classificatie van dieren direct verbonden is met de wil van de Schepper van het universum. Dat geeft een bijna komische disproportie:
de architect van quasars en zwarte gaten houdt zich bezig met de correcte status van geitenparen.

Een scepticus kan moeilijk nalaten te vragen:

is dit werkelijk de stem van een transcendente kosmische intelligentie — of eerder de religieuze codificatie van lokale gebruiken en economische belangen?

En misschien ligt daarin de diepste spanning van Soera 6:143–144. De passage probeert voedselregels te verheffen tot eeuwige waarheid, maar verraadt tegelijk hoe sterk openbaring gevangen blijft binnen de materiële werkelijkheid van haar eigen tijd en plaats.

De hemel spreekt hier niet als kosmologie.

Zij spreekt als een herdersmaatschappij.