Geschapen met verlangens, bedreigd met de hel

Een van de meest merkwaardige kenmerken van veel religieuze systemen is dat zij fundamentele menselijke eigenschappen tegelijkertijd presenteren als onderdeel van Gods schepping én als potentiële bronnen van moreel gevaar. Honger, seksualiteit, ambitie, emotionele behoeften en het verlangen naar autonomie zijn geen afwijkingen van de menselijke natuur; zij vormen de menselijke natuur. Zonder honger sterft de mens. Zonder seksualiteit verdwijnt de soort. Zonder ambitie ontstaat geen vooruitgang. Zonder emotionele verbondenheid bestaan geen families, vriendschappen of gemeenschappen. Zonder verlangen naar autonomie blijft slechts onderwerping over. Toch worden juist deze eigenschappen in religieuze moraal vaak behandeld als potentiële valstrikken die de mens van God kunnen verwijderen. De Koran stelt bijvoorbeeld: “En wie is er meer dwalend dan degene die zijn eigen begeerten volgt, zonder leiding van Allah?” (28:50). Daarmee krijgen natuurlijke menselijke impulsen niet alleen een morele dimensie, maar worden zij onderdeel van een spiritueel risico dat volgens bepaalde interpretaties zelfs tot eeuwige verdoemenis kan leiden.

Dat roept een voor de hand liggende vraag op. Waarom zou een almachtige en alwetende schepper de mens uitrusten met krachtige verlangens om hem vervolgens te beoordelen op zijn vermogen diezelfde verlangens voortdurend te onderdrukken? Dit lijkt minder op een systeem van morele ontwikkeling dan op een systeem van permanente beproeving. De mens wordt geplaatst in een wereld vol impulsen die hij niet zelf heeft gekozen en krijgt vervolgens te horen dat zijn eeuwige bestemming afhangt van hoe succesvol hij weerstand biedt aan wat hij van nature is.

Religie presenteert dit vaak als een test. Maar een test veronderstelt normaal gesproken dat het doel is om iets te ontdekken wat nog onbekend is. Een alwetende God heeft niets te ontdekken. Hij weet reeds wie zal slagen en wie zal falen. De situatie krijgt daardoor een merkwaardige structuur. God schept de verlangens, God kent de uitkomst van iedere keuze die daaruit voortvloeit, God bepaalt de regels van de test en God stelt de consequenties vast. Vervolgens wordt de volledige morele verantwoordelijkheid neergelegd bij het schepsel dat geen enkele invloed had op de constructie van het systeem.

De spanning wordt nog groter wanneer de mogelijke straf oneindig wordt. Een mens leeft enkele tientallen jaren en worstelt gedurende die tijd met verlangens die volgens religieuze leerstellingen onderdeel zijn van zijn aangeboren natuur. Hij ervaart seksuele aantrekking, ambitie, twijfel, woede, nieuwsgierigheid en de behoefte om zijn eigen leven vorm te geven. Dat zijn geen bovennatuurlijke verleidingen maar normale menselijke eigenschappen. Toch kan de verkeerde omgang met deze eigenschappen volgens sommige religieuze opvattingen leiden tot een straf zonder einde. De disproportionaliteit is moeilijk te negeren. Eindige fouten, eindige zwakheden en eindige levens worden verbonden aan oneindige consequenties.

Vooral het verlangen naar autonomie vormt een interessant voorbeeld. Vrijwel ieder volwassen mens verlangt ernaar zelfstandig te denken, eigen keuzes te maken en zijn leven naar eigen inzicht in te richten. In veel religieuze tradities wordt juist deze neiging met wantrouwen bekeken. De hoogste deugd wordt niet onafhankelijkheid maar gehoorzaamheid. Niet zelfbeschikking maar onderwerping. Het ideaal is niet de vrije geest die onderzoekt en concludeert, maar de gelovige die accepteert en volgt. Daarmee ontstaat een fundamentele spanning tussen menselijke ontwikkeling en religieuze conformiteit.

Hetzelfde geldt voor seksualiteit. Religie spreekt vaak alsof seksuele verlangens een uitzonderlijk gevaar vormen voor de morele orde. Een opmerkelijke hoeveelheid religieuze energie wordt besteed aan het reguleren van relaties, verlangens, kleding, intimiteit en voortplanting. Alsof de grootste bedreiging voor de menselijke beschaving niet oorlog, tirannie of onwetendheid is, maar het feit dat mensen verliefd worden op de verkeerde persoon of hun verlangens op de verkeerde manier beleven. De obsessie met seksuele controle zegt vaak meer over de prioriteiten van religieuze systemen dan over de aard van menselijke moraliteit.

Daarachter schuilt een fundamentele tegenstrijdigheid. De mens zou precies zo geschapen zijn als God hem bedoeld heeft, maar tegelijkertijd wordt hij geacht een aanzienlijk deel van diezelfde door God gegeven natuur te wantrouwen, te beteugelen en te bestrijden. Honger moet worden beheerst. Seksualiteit moet worden beheerst. Ambitie moet worden beheerst. Twijfel moet worden beheerst. Onafhankelijk denken moet worden beheerst. Uiteindelijk ontstaat het beeld van een wezen dat wordt beoordeeld op zijn vermogen zichzelf tegen te spreken.

Dit alles maakt de traditionele voorstelling van de mens als permanente kandidaat voor verdoemenis filosofisch problematisch. Wanneer de eigenschappen die ons mens maken tegelijkertijd worden voorgesteld als potentiële redenen voor goddelijke afwijzing, verschuift de aandacht onvermijdelijk van de fouten van het schepsel naar de logica van het ontwerp. De vraag wordt dan niet langer waarom mensen falen, maar waarom een volmaakte schepper een systeem zou creëren waarin de natuurlijke kenmerken van zijn eigen schepping voortdurend functioneren als valstrikken met eeuwige gevolgen.

Misschien is dat uiteindelijk de meest fundamentele vraag. Niet waarom mensen worstelen met hun natuur, maar waarom een systeem dat zichzelf presenteert als het werk van een oneindig wijze en barmhartige God zo vaak lijkt te berusten op een diep wantrouwen tegenover de mens zoals hij is.

 


Vragen:

Waarom zou een volmaakte schepper menselijke verlangens creëren om ze vervolgens als spiritueel gevaar te bestempelen?

Waarom worden natuurlijke impulsen zoals seksualiteit, ambitie en autonomie zo vaak voorgesteld als obstakels op weg naar verlossing?

Als menselijke verlangens door God zijn geschapen, waarom dragen mensen dan de volledige verantwoordelijkheid voor de gevolgen ervan?

Waarom zou een rechtvaardige God eeuwige consequenties verbinden aan eigenschappen die deel uitmaken van de menselijke natuur?

Waarom wordt het volgen van menselijke verlangens als verdacht beschouwd, terwijl die verlangens zelf onderdeel zijn van Gods schepping?

Is de mens geschapen om te leven, of geschapen om zichzelf voortdurend te bestrijden?

Waarom lijkt religieuze moraal zo vaak gericht op beheersing van de mens in plaats van begrip van de mens?

Als God de menselijke natuur volledig kende voordat Hij haar schiep, waarom wordt diezelfde natuur vervolgens behandeld als een bron van moreel falen?

Waarom zou een almachtige God een test ontwerpen waarvan Hij de uitkomst reeds kent?

Wat zegt een systeem over zijn ontwerper wanneer normale menselijke eigenschappen kunnen leiden tot eeuwige straf?

Waarom wordt gehoorzaamheid vaker beloond dan eerlijk onderzoek naar waarheid?

Is morele volwassenheid hetzelfde als onderwerping, of vereist zij juist zelfstandige oordeelsvorming?

In een afsluitende vorm:

Als de menselijke natuur werkelijk Gods ontwerp is, waarom lijkt een zo groot deel van de religieuze moraal dan te bestaan uit het wantrouwen van dat ontwerp?

Of nog scherper:

Als God de auteur van de menselijke natuur is, waarom worden de menselijke verlangens dan behandeld alsof zij het werk van de tegenpartij zijn?