3:173 Allah is ons genoeg en Hij is een uitstekende Beschermer.”
4:45 Allah is voldoende als Vriend en Allah is toereikend als Helper
8:40 Hij is de Beste Beschermer en de Beste Helper.”
“Allah is voldoende voor ons. Hij is de Beste Beschermer en de Beste Helper.” Zo luidt een van de vele troostrijke verzekeringen die de gelovige in de Koran tegemoet treden. Het is een zin die eeuwenlang op de lippen van gelovigen heeft gelegen, uitgesproken in tijden van oorlog, ziekte, armoede en wanhoop. De woorden bezitten onmiskenbaar poëtische kracht. Maar poëzie en waarheid zijn niet hetzelfde. De vraag is niet of de uitspraak mooi klinkt, maar of zij iets betekent dat overeenkomt met de werkelijkheid.
Wat zou men normaal gesproken verwachten van een wezen dat de “beste helper” en de “beste beschermer” wordt genoemd? Wanneer wij een menselijke helper beoordelen, kijken wij naar resultaten. Een arts die zijn patiënten niet geneest, een advocaat die zijn cliënten consequent verliest, of een lijfwacht wiens klanten regelmatig worden neergeschoten, zou niet lang als de beste in zijn vak worden beschouwd. Woorden als “helper” en “beschermer” ontlenen hun betekenis aan observeerbare gevolgen. Zonder gevolgen verworden zij tot lege eretitels.
Toch ontstaat er een merkwaardige verschuiving zodra deze woorden op God worden toegepast. Wanneer de gelovige voorspoed ervaart, wordt dit aangevoerd als bewijs van goddelijke hulp. Wanneer hij tegenspoed ervaart, wordt hem verteld dat de hulp spiritueel was. Wanneer een gebed wordt verhoord, is dat een teken van goddelijke tussenkomst. Wanneer een gebed onbeantwoord blijft, was het antwoord kennelijk “nee”, of misschien wordt de beloning uitgesteld tot in het hiernamaals. Het begrip wordt zo elastisch dat het geen enkele mogelijke uitkomst uitsluit.
Hier stuiten we op een fundamenteel probleem. Een bewering die met elke denkbare toestand van de wereld verenigbaar is, verklaart uiteindelijk niets. Indien zowel succes als mislukking, gezondheid als ziekte, rijkdom als armoede, overwinning als nederlaag allemaal even goed bewijs kunnen zijn van goddelijke bescherming, dan is er geen toestand van zaken denkbaar die tegen de bewering zou kunnen spreken. De claim wordt daarmee immuun voor weerlegging, maar juist daardoor ook leeg van feitelijke inhoud.
De geschiedenis biedt weinig steun aan een letterlijke interpretatie van de uitspraak. Moslims zijn gestorven aan pestepidemieën, verhongerd tijdens hongersnoden en omgekomen op slagvelden, net zoals christenen, hindoes, boeddhisten en atheïsten. De begraafplaatsen van de wereld bevatten geen aparte sectie voor degenen die beschermd werden. De statistieken van ziekte, kindersterfte en levensverwachting tonen geen wonderbaarlijke uitzondering voor hen die vijfmaal daags bidden. De natuur lijkt opmerkelijk onverschillig tegenover geloofsbelijdenissen.
Hetzelfde geldt voor economische voorspoed. Sommige van de rijkste landen ter wereld zijn relatief seculier; sommige van de armste zijn diep religieus. Uiteraard bewijst dit niet dat religie armoede veroorzaakt. Maar het ondermijnt wel de gedachte dat intensieve devotie een betrouwbare voorspeller van goddelijke hulp in materiële zin zou zijn. Wanneer men de wereldkaart bestudeert, lijkt infrastructuur meer invloed te hebben dan smeekbeden, wetenschap meer dan rituelen, en goed bestuur meer dan vroomheid.
Op dit punt trekt de verdediger van het geloof zich vaak terug naar een spirituele interpretatie. De bescherming, zo wordt gezegd, is niet lichamelijk maar geestelijk. De hulp bestaat niet uit het voorkomen van rampspoed, maar uit het vermogen haar te verdragen. Dit argument verdient serieuze aandacht. Religie kan inderdaad troost bieden. Zij kan mensen helpen verlies te verwerken, een gevoel van gemeenschap scheppen en betekenis verschaffen in omstandigheden die anders ondraaglijk zouden lijken.
Maar hier verandert ongemerkt de betekenis van de oorspronkelijke claim. Een uitspraak die aanvankelijk klonk als een beschrijving van een machtige beschermer wordt herleid tot een beschrijving van een psychologisch effect. Wat wordt verdedigd is dan niet langer een bovennatuurlijke interventie, maar een menselijke ervaring. Men heeft de discussie verschoven van de vraag of God daadwerkelijk ingrijpt naar de vraag of geloof mensen helpt zich beter te voelen.
Daarmee verdwijnt echter de exclusiviteit van de claim. Want troost wordt niet alleen gevonden in de islam. Christenen vinden haar in Christus. Hindoes vinden haar in hun tradities. Boeddhisten vinden haar zonder een scheppende God. Zelfs niet-gelovigen vinden betekenis in kunst, liefde, wetenschap of menselijke solidariteit. Zodra het criterium innerlijke rust wordt, blijkt de concurrentie plotseling zeer groot.
De uitspraak “Hij is de Beste Beschermer en de Beste Helper” behoudt dus haar kracht als geloofsbelijdenis, maar verliest veel van haar overtuigingskracht als feitelijke beschrijving van de wereld. Zij functioneert uitstekend als uitdrukking van vertrouwen, hoop en toewijding. Wat zij niet lijkt te doen, is een aantoonbaar patroon in de werkelijkheid voorspellen dat onderscheid maakt tussen degenen die onder deze bescherming staan en degenen die dat niet doen.
Misschien is dat uiteindelijk de meest eerlijke conclusie. De zin is geen ontdekking over de wereld, maar een verklaring van geloof over de wereld. Zij vertelt ons niet wat wij kunnen waarnemen; zij vertelt ons wat de gelovige kiest te vertrouwen. Voor wie reeds gelooft, is dat voldoende. Voor wie bewijs verlangt, blijft de vraag onbeantwoord.
Dit essay richt zich op de filosofische en empirische kant van de claim. Een islamitische apologeet zou er uiteraard een uitgebreid weerwoord op kunnen geven, bijvoorbeeld vanuit theologie, metafysica of de aard van religieuze kennis.
Vragen:
- Als gelovigen en niet-gelovigen dezelfde rampen, ziekten, ongelukken en verliezen ondergaan, hoe herkennen we dan het effect van die bescherming?
- Wat zouden we in de wereld moeten zien als de uitspraak waar is, dat we niet zouden verwachten als zij onwaar is?
- Als miljoenen mensen dagelijks bidden tot de beste helper, waarom zien we geen duidelijk statistisch voordeel in gezondheid, levensduur of welzijn?
- Is er een denkbare situatie waarin een gelovige zou zeggen: “Nu blijkt dat Allah niet de beste helper en beschermer is”? Zo niet, wat is dan de empirische inhoud van de uitspraak?
- De ene gelovige schrijft zijn genezing toe aan Allah, terwijl een andere even vrome gelovige aan dezelfde ziekte overlijdt. Hoe bepalen we welke ervaring de claim ondersteunt?
- Waarom manifesteert de hulp zich vaak op manieren die niet te onderscheiden zijn van toeval, natuurlijke processen of menselijke inspanning?
- Christenen, hindoes, sikhs en anderen rapporteren eveneens gebedsverhoringen, bescherming en goddelijke hulp. Hoe bepalen we welke interpretatie juist is?
- Beschrijft het vers een feit over de werkelijkheid, of drukt zij uit hoe gelovigen naar de werkelijkheid behoren te kijken?
- Als een gebed wordt verhoord, geldt dat als bewijs van goddelijke hulp. Wanneer het niet wordt verhoord, wordt vaak een andere verklaring gegeven. Is dat een consistente methode?
- ”De beste’, vergeleken met wie of wat? En volgens welke maatstaf wordt vastgesteld dat deze bescherming de beste is?
- Waarom worden sommige uiterst vrome mensen getroffen door extreme tragedies, terwijl sommige mensen zonder geloof een relatief voorspoedig en gezond leven leiden?
- Als materiële bescherming uitblijft, verschuift de interpretatie naar spirituele bescherming. Als die moeilijk aantoonbaar is, verschuift zij naar het hiernamaals. Op welk punt houdt een verklaring op een verklaring te zijn en wordt zij een herdefiniëring?
- Als gebed rust en veerkracht geeft, hoe bewijst dat een bovennatuurlijke bron in plaats van louter psychologie?
- Als God Zijn bestaan wil bewijzen, waarom leiden dezelfde feiten dan tot zulke tegengestelde conclusies bij gelovigen en sceptici?
- Deze vragen bewijzen niet dat de koranische claim onwaar is. Ze leggen wel bloot waar de belangrijkste filosofische spanningen zitten tussen een religieuze interpretatie en een empirische benadering van de werkelijkheid.
- Dit essay richt zich op de filosofische en empirische kant van de claim. Een islamitische apologeet zou er uiteraard een uitgebreid weerwoord op kunnen geven, bijvoorbeeld vanuit theologie, metafysica of de aard van religieuze kennis.