Koran 2:131. De Heer zei tegen Ibraham: “Onderwerp je (d.w.z. word moslim)!”, zei hij: “Ik heb mij (als moslim) onderworpen.
Koran 2:132. En dit (onderwerping aan Allah) werd door Ibrahim (Abraham) aan zijn zonen en door Ya’qub (Jakob) opgedragen (zeggende): “O mijn zonen! Allah heeft voor jullie de (ware) religie uitverkoren, sterf dan niet anders dan in het geloof van de islam (als moslims).”
Koran 2:133. Waren jullie erbij toen Jakob doodging? Hij vroeg aan zijn zonen: “Wie gaan jullie aanbidden als ik er niet meer ben?” Zijn zonen antwoordden: “Wij aanbidden jullie God, Allah. Dat is de God van jullie voorvaders: Abraham, Ismaël en Isaak. Hij is de enige God en wij zijn moslims.”
Koran 2:134. Dit is een volk, dat is heengegaan: voor hen is, hetgeen zij verdienden en voor u is, hetgeen gij verdient en gij zult niet worden ondervraagd over hetgeen zij plachten te doen.
Koran 2:135. Mensen van andere geloofsgemeenschappen (joden en christenen) zeiden in die tijd: “Volg ons geloof, dan zit je op het juiste pad”. Moslims zeiden: “Nee, (wij volgen) het geloof van Ibrahim (Abraham), de oprechte. [islamitisch monotheïsme, dat wil zeggen, niemand aanbidden dan Allah (alleen)].
De annexatie van Abraham
In Koran 2:131–135 ontvouwt zich een subtiel maar krachtig mechanisme: de geleidelijke toe-eigening van Ibrahim als exclusieve bron van religieuze legitimiteit. Wat op het eerste gezicht een reeks vrome uitspraken lijkt, blijkt bij nadere beschouwing een zorgvuldig opgebouwde claim op het verleden.
Het begint met een eenvoudige handeling: Abraham “onderwerpt zich”. Op zichzelf is dat een algemene religieuze houding—overgave aan God is immers een bekend motief in meerdere tradities. Maar de tekst laat het daar niet bij. Deze onderwerping wordt niet alleen beschreven, maar impliciet hernoemd en geladen met latere betekenis. Het wordt gepresenteerd als iets dat direct samenvalt met wat later “islam” zal heten. Hier vindt de eerste verschuiving plaats: een universeel religieus gebaar wordt geïdentificeerd met een specifieke, historisch latere religieuze categorie.
Vervolgens wordt deze identificatie versterkt door overdracht. Abraham draagt deze “religie” over aan zijn zonen, en Ya’qub bevestigt dit patroon op zijn sterfbed. De boodschap is helder: dit is geen individuele overtuiging, maar een erfgoed. Door deze genealogische lijn te construeren, wordt Abraham niet alleen een gelovige, maar de stamvader van een doorlopende, consistente religieuze identiteit.
Maar hier wordt de beweging beslissend. De tekst beperkt zich niet tot het beschrijven van continuïteit; zij sluit alternatieven uit. Wanneer andere groepen stellen dat leiding te vinden is via hun tradities, wordt dit niet inhoudelijk weerlegd. In plaats daarvan wordt Abraham opnieuw gedefinieerd: hij was geen jood, geen christen, maar een hanif—een term die hem buiten de al bestaande categorieën plaatst.
Op dit punt lijkt de tekst Abraham juist te bevrijden van al bestaande religieuze labels. Maar die bevrijding is slechts tijdelijk. Want vrijwel onmiddellijk wordt hij opnieuw gepositioneerd—ditmaal binnen een kader dat de islam. Wat begint als een ontkenning van labels, eindigt als een exclusieve herlabeling.
Hierin ligt de kern van de annexatie. Abraham wordt niet alleen geïnterpreteerd; hij wordt herplaatst in een nieuw systeem dat beweert zijn oorspronkelijke betekenis te herstellen. Zijn nieuwe religieuze identiteit wordt niet ontdekt, maar vastgesteld als oorspronkelijk—en wel op een manier die alle concurrerende claims impliciet diskwalificeert.
De kracht van deze strategie ligt in haar eenvoud. Door het verleden te definiëren, wordt het heden gelegitimeerd. Wat overblijft is geen neutrale reconstructie van een historische figuur, maar een normatief model: Abraham als maatstaf, Abraham als bewijs, Abraham als eigendom. Een Abraham met een gedeelde oorsprong in het christendom en jodendom wordt zo omgevormd tot exclusief verbonden aan Islam.
