De Dag dat de bergen beven

Soera 18:47 “Op de Dag dat Wij de bergen doen schudden en gij de aarde ziet oprijzen.”

Het is een zin die geschreven lijkt met donder in de inkt. Bergen beven. De aarde rijst op. Het is kosmisch theater, een apocalyptisch panorama waarin de natuur zelf het decor wordt van goddelijke macht. En men moet toegeven: als literatuur werkt het. Het spreekt tot een diep menselijk instinct — de angst dat wat vast lijkt plotseling vloeibaar wordt.

Maar zodra men de poëtische mist laat optrekken, verschijnt er een ander beeld. Bergen schudden voortdurend. Zij heten aardbevingen. De aarde “rijst op” in tektonische verschuivingen, vulkanische uitbarstingen, continentale drift. Wat hier als eschatologisch spektakel wordt gepresenteerd, is in werkelijkheid een beschrijving van geologische processen die al miljarden jaren plaatsvinden zonder enige morele bedoeling.

Het vers suggereert een Dag — met hoofdletter — waarop de natuur plotseling verandert van passief decor in actief instrument van oordeel. Alsof zwaartekracht, aardplaten en magma wachten op een bevel uit de hemel voordat zij hun werk doen. Maar de aarde kent geen morele agenda. Zij verschuift zonder voorkeur, verplettert zonder onderscheid. Zij maakt geen onderscheid tussen gelovige en scepticus wanneer zij beeft.

Hier openbaart zich de kern van het probleem: de neiging om natuurverschijnselen te moraliseren. Een aardbeving wordt geen breuklijn maar een boodschap. Een verschuivende berg wordt geen geologie maar gerechtigheid. Het is een oude menselijke reflex — wanneer men het mechanisme niet begrijpt, schrijft men het toe aan intentie. Wanneer men het mechanisme wél begrijpt, blijft alleen de poëzie over.

En dat is precies wat dit vers uiteindelijk is: poëzie die pretendeert fysica te overstijgen. Het verheft de onverschillige dynamiek van het universum tot een scène van kosmische rechtspraak. Maar rechtspraak vereist proportionaliteit, onderscheid, en individuele verantwoordelijkheid. Een schuddende berg kent geen van deze dingen. Zij vernietigt eenvoudigweg wat in haar weg staat.

Men kan dit alles natuurlijk symbolisch lezen. Maar dan moet men erkennen dat het symboliek is — niet meteorologie, niet geologie, en zeker geen empirische voorspelling. Zodra men het letterlijk wil nemen, komt men in conflict met alles wat wij weten over de werking van de aarde.

De ironie is dat het universum juist indrukwekkender wordt wanneer men het niet als toneelstuk beschouwt. Een planeet die zonder morele bedoelingen miljarden jaren evolueert, sterren die ontploffen zonder boosheid, bergen die verrijzen en weer slijten — dat is subliemer dan welk apocalyptisch decor ook. Het vereist geen hemelse regisseur.

En zo blijft het vers wat het is: een dramatische beschrijving van natuurkrachten in dienst van goddelijke dreiging. Indrukwekkend als literatuur. Onnodig als verklaring. De bergen zullen blijven schudden, met of zonder hemelse aankondiging. En zij doen dat niet om ons iets te zeggen.