Soera :6 “Hebben zij niet gezien hoeveel generaties Wij vóór hen hebben vernietigd… toen vernietigden Wij hen vanwege hun zonden en brachten na hen een nieuwe generatie voort.”
Er spreekt een zekere trots uit deze passage. Een opsomming van uitgeroeide generaties als bewijs van autoriteit. Alsof de hemel haar cv overlegt: gevestigde volkeren, overvloedige regen, stromende rivieren — en vervolgens vernietiging. Niet ondanks hun voorspoed, maar juist erna. Welvaart als voorwoord tot verwoesting.
Wat hier wordt voorgesteld is een universum waarin voorspoed een test is en ondergang het logische gevolg van falen. Regen wordt eerst als zegen gepresenteerd en daarna als decor van straf. Het is een moreel drama waarin natuurkrachten en geschiedenis fungeren als gereedschap van een kosmische opzichter.
Maar laten we het even ontleden.
Generaties verdwijnen voortdurend. Beschavingen rijzen op en vallen. Dat heet geschiedenis. Klimaat verandert, rivieren verschuiven, handelsroutes verplaatsen zich, oorlogen breken uit, ziektes verspreiden zich. Het is de gewone gang van menselijke kwetsbaarheid in een onverschillig universum. Om al deze processen te herleiden tot “Wij vernietigden hen vanwege hun zonden” is geen verklaring, maar een toe-eigening. Het is het monopoliseren van oorzaken.
Er zit bovendien een morele paradox in de tekst. Eerst wordt de overvloed benadrukt: regen in stortbuien, rivieren die stromen, vestiging en voorspoed. Vervolgens volgt de vernietiging “vanwege hun zonden”. Het klinkt minder als rechtvaardigheid en meer als een patroon van bevoordelen en daarna straffen. Een almachtige schenker die eerst de tafel rijk dekt en vervolgens de gasten uitwist omdat zij niet naar tevredenheid aten.
En wie waren die generaties precies? Waren alle leden ervan even schuldig? Waren er geen kinderen, geen twijfelaars, geen dissidenten? Collectieve vernietiging is per definitie blind voor individuele nuances. Zij maakt van complexe samenlevingen één homogene schuldige massa.
Wat vooral opvalt, is de retorische functie van het vers. Het is geen historische analyse, maar een dreigement. “Zij werden vernietigd — jullie kunnen ook worden vernietigd.” Het verleden wordt instrumenteel gebruikt om gehoorzaamheid in het heden af te dwingen. Angst als didactisch middel.
De ironie is dat menselijke beschavingen niet ten onder gaan door “zonden” in theologische zin, maar door heel aardse factoren: machtsmisbruik, economische uitputting, ecologische rampen, interne verdeeldheid. Wanneer een rijk instort, is dat zelden het gevolg van een metafysisch oordeel, maar van menselijke fouten — die wij kunnen bestuderen, begrijpen en hopelijk vermijden. Dat is een volwassen benadering van geschiedenis: leren zonder bovennatuurlijke tussenkomst.
Het vers biedt echter een eenvoudiger narratief. Alles wat valt, valt omdat het schuldig was. Alles wat overleeft, overleeft bij gratie van gehoorzaamheid. Het is een wereldbeeld dat complexiteit vervangt door morele zwart-witlogica.
En zo blijft de vraag hangen: als vernietiging steeds het antwoord is, wat zegt dat dan over de vernietiger? Een almachtig wezen dat generaties opricht en uitwist als experimenten in een kosmisch laboratorium is geen toonbeeld van rechtvaardigheid, maar van absolute macht.
Beschavingen komen en gaan. Dat is geen geloof, maar geschiedenis. Het verschil tussen beide is dat de eerste dreigt, en de tweede verklaart.
