Koran 8:2-4. ”De gelovigen zijn alleen zij:
die, wanneer Allah genoemd wordt, ontzag in hun hart voelen.
die hun geloof versterken door naar koranverzen te luisteren.
die hun vertrouwen in hun Heer stellen. die het gebed verrichten.
die uitgeven van wat Wij hen ter beschikking hebben gesteld.
die in de waarheid geloven.
Voor hen zijn er verschillende graden van waardigheid bij hun Heer, en vergeving en een overvloedige voorziening (het Paradijs).’
Wanneer mij wordt verteld dat een “ware gelovige” iemand is die een gevoel van ontzag ervaart bij het noemen van God, dan zie ik geen bewijs van waarheid, maar een beschrijving van een emotionele toestand. Mensen voelen ontzag bij kathedralen, bij muziek, bij andere godsdiensten — zelfs bij politieke ideologieën. Het verheffen van zo’n gevoel tot criterium voor waarheid is niets meer dan het verwarren van psychologie met werkelijkheid.
En wanneer ik lees dat het geloof wordt versterkt door het luisteren naar dezelfde verzen die dat geloof al veronderstellen, dan heb ik te maken met een gesloten cirkel. De tekst bevestigt haar eigen geldigheid via de reactie die zij oproept. Dat is geen open zoektocht naar waarheid, maar een systeem dat zichzelf in stand houdt door herhaling en bevestiging — iets wat we eerder herkennen als inprenting dan als overtuigend bewijs.
De uitspraak dat “de gelovigen alleen zij zijn” die aan deze voorwaarden voldoen, verraadt bovendien een diepgeworteld tribalisme. Hier wordt een grens getrokken tussen degenen die erbij horen en degenen die erbuiten vallen. De geschiedenis leert ons dat zulke scheidslijnen zelden onschuldig blijven; ze vormen al te vaak de basis voor superioriteitsgevoelens en uitsluiting.
Dan is er nog het idee dat men zijn vertrouwen volledig in een goddelijke autoriteit moet stellen. Dit wordt gepresenteerd als deugd, maar ik zie het als een uitnodiging tot intellectuele overgave. In plaats van twijfel, onderzoek en verantwoordelijkheid te stimuleren, wordt de mens aangemoedigd zich te onderwerpen — en dat is, naar mijn mening, een stap weg van volwassen denken.
En tenslotte: de belofte van beloning, van hogere graden, van vergeving en overvloed. Dit alles klinkt mij als een moreel systeem dat afhankelijk is van beloning en straf. Goed handelen wordt zo een kwestie van eigenbelang — een investering met hemelse opbrengst. Maar echte moraliteit, als die al iets betekent, zou moeten bestaan zonder het vooruitzicht van beloning of de dreiging van straf.
