Inshallah


“Inshallah” en de erosie van menselijke handelingskracht
Een analyse van Soera Al-Kahf 18:23–24

Soera Al-Kahf 18:23–24 bevat een korte maar invloedrijke instructie: dat men niets over de toekomst moet zeggen zonder de toevoeging “inshallah” — “als God het wil”. Op het eerste gezicht lijkt dit een onschuldige oproep tot nederigheid. Bij nadere beschouwing vormt deze formule echter een kernmechanisme binnen een religieuze wereldbeschouwing die vrije wil en besluitvorming structureel relativeert. Niet incidenteel, maar systematisch.

Psychologisch introduceert inshallah een verschuiving van verantwoordelijkheid. Waar in een seculiere context toekomstplanning gekoppeld is aan intentie, inzet en causaliteit, wordt in een religieuze context de uitkomst primair toegeschreven aan een externe, niet-verifieerbare wil. Het individu leert dat zelfs wanneer hij wil, plant en handelt, het beslissende element buiten hem ligt. Dit heeft aantoonbare gevolgen voor motivatie: wie de controle over uitkomsten niet intern ervaart, ontwikkelt minder initiatief en doorzettingsvermogen. In de psychologie staat dit bekend als een externe locus of control — een bekende voorspeller van passiviteit en berusting.

Dit is geen theoretisch probleem. In samenlevingen waar inshallah niet slechts een culturele uitdrukking is maar een normatief wereldbeeld, ontstaat wat men fatalisme noemt: de overtuiging dat gebeurtenissen grotendeels vastliggen, onafhankelijk van menselijk handelen. Fatalisme vermindert de prikkel om risico’s te nemen, om te investeren in lange-termijnprojecten en om falen te analyseren als leerproces. Als iets mislukt, was het “niet Gods wil”; als iets slaagt, was het “Gods gunst”. In beide gevallen verdwijnt causale analyse — en daarmee de mogelijkheid tot verbetering.

Economisch vertaalt dit zich in lage productiviteit en zwakke instituties. Ondernemerschap vereist planning, contractuele zekerheid en het geloof dat inspanning loont. In sterk religieus-fatalistische contexten overheerst echter korte-termijndenken en informele economie. Vergelijk bijvoorbeeld landen waar inshallah diep verankerd is in het dagelijks bestuur en onderwijs — zoals Afghanistan of Jemen — met landen waar religie cultureel aanwezig is maar niet epistemologisch dominant, zoals Zuid-Korea of Tsjechië. Het verschil in innovatie, kapitaalvorming en arbeidsproductiviteit is structureel, niet toevallig.

Ook in de wetenschap werkt dit mechanisme verlammend. Wetenschap veronderstelt dat natuurwetten consistent zijn en dat oorzaken verklaarbaar zijn zonder beroep op bovennatuurlijke wil. Inshallah introduceert daarentegen een permanente uitzondering: wat vandaag geldt, kan morgen anders zijn, niet omdat de theorie onjuist was, maar omdat God anders besloot. Dit ondermijnt het vertrouwen in empirische regelmatigheid. Historisch zien we dat wetenschappelijke bloei in islamitische samenlevingen samenviel met perioden waarin theologische determinatie tijdelijk werd gemarginaliseerd — en instortte zodra die weer centraal kwam te staan.

Het contrast wordt scherp wanneer men kijkt naar landen als Iran of Saoedi-Arabië. Beide beschikken over kapitaal en onderwijs, maar kampen met structurele innovatieproblemen. Kritisch denken botst er niet alleen met politieke macht, maar met een religieuze mentaliteit waarin twijfel al snel wordt gezien als gebrek aan geloof. Wetenschap floreert niet waar men zich voortdurend moet indekken tegen het verwijt dat men “God vergeet”.

Voorstanders werpen vaak tegen dat inshallah slechts nederigheid leert. Maar nederigheid en verlamming zijn niet hetzelfde. Nederigheid erkent onzekerheid, maar behoudt menselijke verantwoordelijkheid. Fatalisme daarentegen externaliseert die verantwoordelijkheid. Het omslagpunt ligt precies daar waar nederigheid ophoudt een morele houding te zijn en een onwankelbare, niet-onderzochte leerstelling wordt.

De kernvraag is daarom niet of inshallah individueel troost kan bieden, maar wat er gebeurt wanneer het een collectief denkpatroon wordt. Samenlevingen die structureel geloven dat de toekomst primair door bovennatuurlijke wil wordt bepaald, investeren minder in zichzelf. Ze plannen minder, corrigeren minder en leren trager. Niet omdat hun mensen minder intelligent zijn, maar omdat hun wereldbeeld menselijke handelingskracht systematisch degradeert.

In een moderne samenleving, die draait op wetenschap, economie en democratische verantwoordelijkheid, is dat een luxe die men zich niet kan permitteren. Het probleem is niet geloof op zich, maar een theologie die onzekerheid niet aanvaardt als uitdaging, maar als reden tot overgave. Waar “wij zullen het proberen” wordt vervangen door “zo God het wil”, verschuift de toekomst van maakbaar naar ondoorzichtig — en daarmee van menselijk naar ongrijpbaar.

Dat is geen spirituele winst, maar een maatschappelijke kostenpost.