De Koran stelt dat Allah de Schepper is van alle dingen (39:62), inclusief de jinn (51:56), waartoe Iblis behoort (18:50). Satan is dus geen onafhankelijke tegenmacht, maar een geschapen wezen binnen Gods soevereiniteit.
Tegelijkertijd bevat de tekst passages waarin God actief betrokken lijkt bij het proces van dwaling:
- 14:4 – Hij laat dwalen wie Hij wil en leidt wie Hij wil.
- 14:27 – Allah doet de onrechtvaardigen dwalen.
- 19:83 – Wij zenden satans naar de ongelovigen om hen tot zonde aan te sporen.
- 43:36 – Wie zich afwendt van Allah, krijgt een satan als metgezel.
- 10:107 – Als Allah u schade treft, dan kan niemand die wegnemen behalve Hij.
Daartegenover staat Satan, die eveneens mensen wil laten dwalen:
- 15:39 – Satan zal hen op aarde zeker doen dwalen.
- 17:62 – Satan zal zeker het nageslacht van Adam misleiden.
- 2:169 – Satan beveelt u het kwade en het verwerpelijke.
- 4:120 – Satan belooft hun niets dan illusie.
- 38:82 – Bij Uw macht, zal ik [ satan ] hen allen doen dwalen.
Analyse
Het traditionele islamitische onderscheid is duidelijk:
God laat dwalen als rechtvaardig oordeel;
Satan misleidt uit rebellie.
Toch ontstaat er tekstueel een structurele spanning. De handelingen — laten dwalen, misleiden, schade veroorzaken, mensen aanzetten — vertonen functionele overlap.
In een strikt monotheïstisch systeem kan Satan geen autonome kracht zijn. Zijn handelen vindt plaats binnen grenzen die door God zijn vastgesteld of toegestaan. Zelfs zijn bestaan is geschapen.
De kernvraag verschuift dan van:
“Wie misleidt?”
naar:
“In hoeverre is een almachtige Schepper verantwoordelijk voor een systeem waarin dwaling een door Hem gewilde mogelijkheid is?”
