Soera 21:33 ; “En Hij is het Die de nacht en de dag heeft geschapen, en de zon en de maan. Zij zweven allemaal in een hemelbaan”
👉 Het vers stelt dat God de nacht, de dag, de zon en de maan heeft geschapen en dat zij “allemaal in een hemelbaan zweven”. Dit is problematisch op meerdere niveaus. Ten eerste suggereert het beeld van nacht en dag als afzonderlijke scheppingen dat tijdsverloop een op zichzelf staand fenomeen is dat actief door een hogere macht wordt beheerst. In werkelijkheid zijn nacht en dag het gevolg van de rotatie van de aarde; zij zijn geen schepsels die in de lucht zweven of een baan volgen.
Ten tweede wordt de zon en de maan gepresenteerd alsof zij objecten zijn die passief in een hemelbaan zweven, gecontroleerd en begeleid. Wetenschappelijk weten we dat hemellichamen geen zwevende entiteiten zijn, maar objecten die door gravitatie en snelheid in hun banen worden gehouden. Het beeld van een “zwevende hemelbaan” is letterlijk onjuist en weerspreekt elementaire astronomie.
Ten derde suggereert de tekst dat natuurverschijnselen handelen met een vooropgezet doel. De zon en de maan worden gepresenteerd als bewuste actoren, terwijl de natuurwetenschap aantoont dat tijd en hemellichamen losstaan van moraal of intentie. Het vers construeert dus een mythische wereld waarin fysieke feiten en doelgerichtheid ten onrechte worden vermengd.
Kortom: Soera 21:33 beschrijft tijd, licht en hemellichamen alsof zij actieve entiteiten zijn die zweven en handelen, terwijl de werkelijkheid mechanisch en wetmatig is. Het vers presenteert een poëtisch maar fysisch onjuist beeld van de kosmos, dat geen enkele wetenschappelijke of rationele basis heeft.
👉 Het Qur’an-vers dat stelt dat nacht, dag, zon en maan door God zijn geschapen en in een “hemelbaan zweven” is een klassiek voorbeeld van mythologie verpakt als kosmologie. Het universum reageert niet op intentie; dag en nacht draaien niet omdat iemand het wil, ze draaien omdat de aarde roteert. De zon en de maan zweven niet in een kunstmatig vastgestelde baan — zij volgen natuurwetten die onafhankelijk zijn van menselijke verbeelding. Het beeld dat hemellichamen zweven en handelen alsof zij acteurs zijn in een goddelijk drama is niets anders dan poĂ«tische retoriek die pretendeert wetenschappelijk te zijn. In werkelijkheid is het universum onverschillig, mechanisch en onbarmhartig, en geen theaterdecor dat reageert op menselijke moraal of verbeelding. Wie dit letterlijk neemt, mist niet alleen astronomie, maar ook elementaire logica.
