Wanneer Openbaring Botst met Mensenrechten

Die niet geloven:

  • de slechtste schepselen 98:6,
  • erger dan beest 8:55
  • dommer dan vee 25:44
  • volgen de begeerte van honden 7:176

Die wél geloven:

  • zijn het beste volk op aarde 3:110
  • hoe gering ook, zijn superieur aan ongelovigen 2:221
  • zijn een volk dat wil gehoorzamen 30:23
  • zijn een volk dat kan begrijpen 9:11
  • zijn een volk dat wil geloven 2:136
  • zijn verheven boven de ongelovigen 2:212
  • zijn de uitverkorenen. 20:13
  • zijn de erfgenamen van de aarde 21:105

De vraag of een religie die hiërarchische mensbeelden bevat verenigbaar is met moderne gelijkheidsbeginselen raakt aan een fundamenteel filosofisch spanningsveld. Veel religieuze tradities, waaronder de Qur’an, maken onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen, gehoorzamen en opstandigen, rechtvaardigen en verdoemden. Binnen zo’n theologisch kader is morele waarde gekoppeld aan relatie tot God. Dat impliceert een hiërarchie: niet iedereen staat gelijk in spirituele status.

Het moderne mensenrechtenproject vertrekt van een radicaal ander uitgangspunt. Sinds de formulering van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens door de United Nations geldt het principe dat alle mensen gelijk zijn in waardigheid en rechten, ongeacht overtuiging, religie of ongeloof. Deze gelijkheid is niet afhankelijk van waarheid, moraliteit of geloofsinhoud. Ze is onvoorwaardelijk.

De spanning ontstaat wanneer een religieuze hiërarchie meer wordt dan een interne geloofsopvatting en maatschappelijke consequenties krijgt. Zolang een onderscheid tussen gelovige en ongelovige uitsluitend een spirituele categorie blijft — bijvoorbeeld met betrekking tot het hiernamaals — kan een seculiere rechtsstaat daarmee leven. Vrijheid van godsdienst beschermt immers ook het recht om anderen theologisch ongelijk te achten. Het conflict begint wanneer die hiërarchie wordt vertaald in wetgeving, burgerrechten of sociale structuren.

Er zijn grofweg twee manieren waarop religies zich tot moderne gelijkheid kunnen verhouden. De eerste is herinterpretatie: men leest hiërarchische passages historisch, contextueel of metaforisch, en benadrukt universele waardigheid als overkoepelend principe. De tweede is dualisme: men maakt een strikt onderscheid tussen spirituele waarheid en politieke orde. De staat behandelt iedereen gelijk, ook al leert de religie dat niet iedereen spiritueel gelijk staat. In beide gevallen wordt de scherpe rand van de hiërarchie afgevlakt.

De moeilijkheid ontstaat wanneer een religieuze gemeenschap vasthoudt aan de tijdloze, directe en normatieve geldigheid van hiërarchische teksten, én tegelijk politieke invloed nastreeft. Dan botsen twee axioma’s: goddelijke waarheid als hoogste norm versus menselijke gelijkheid als hoogste norm. Dat is geen misverstand, maar een principieel verschil in uitgangspunt.

De kernvraag is dus niet of gelovigen morele oordelen mogen hebben — dat mag in een vrije samenleving — maar of die oordelen politieke en juridische ongelijkheid rechtvaardigen. Zolang de rechtsstaat de ultieme norm blijft voor burgerlijke gelijkheid, kan een religie met hiërarchische mensbeelden binnen dat kader functioneren. Zodra religieuze hiërarchie echter boven constitutionele gelijkheid wordt geplaatst, wordt de spanning onvermijdelijk en fundamenteel.

Note 1: Sommige bovenstaande verzen kunnen contextueel of historisch worden geïnterpreteerd. Dit verandert echter niets aan het tekstuele patroon waarin ongelovigen negatief worden gekwalificeerd en gelovigen verheven worden, waardoor een hiërarchisch mensbeeld zichtbaar blijft.

Note 2: Zelfs als men deze verzen probeert te nuanceren of historisch te interpreteren, blijft het patroon duidelijk: ongelovigen worden systematisch gedegradeerd en gelovigen verheven, een hiërarchie die botst met het universele principe van gelijkwaardigheid dat moderne mensenrechten veronderstellen.