Soera 10:107 ”Hij laat die gunsten toekomen aan wie Hij wil van Zijn dienaren”
Wanneer gunst uiteindelijk wordt toegekend “aan wie Hij wil”, verschuift religieuze praktijk van morele wederkerigheid naar existentiële afhankelijkheid. Gebed, vasten en goede werken worden inspanningen zonder garantie; ze scheppen geen aanspraak, slechts hoop. De mens investeert, maar de uitkomst blijft volledig buiten zijn controle. In zo’n systeem is onzekerheid geen bijproduct maar een structureel element: zekerheid behoort niet tot de gelovige, maar uitsluitend tot de soevereine wil van God. De vraag die dan overblijft is of dit nederigheid bevordert — of een permanente staat van afhankelijkheid waarin de mens nooit werkelijk weet waar hij staat.
Wanneer gunst uiteindelijk wordt gegeven aan “wie Hij wil”, rijst de vraag welke rol menselijke inspanning werkelijk nog speelt. Is gehoorzaamheid een daadwerkelijke oorzaak van gunst, of slechts een hoopvolle handeling zonder garantie? Als God reeds weet wie Hij zal begunstigen, wat verandert gebed dan nog aan de uitkomst? Kan men spreken van rechtvaardigheid wanneer beloning niet transparant voortvloeit uit daden, maar uit soevereine wil? Wat betekent morele verantwoordelijkheid als de uiteindelijke beslissing niet volledig in menselijke handen ligt? En als twee mensen dezelfde inspanningen leveren maar slechts één ontvangt gunst, op basis waarvan wordt dat onderscheid gemaakt — is dat genade, of een vorm van heilige willekeur?
