History Rewritten

Soera 22:78 stelt dat God de gelovigen al eerder “moslims” heeft genoemd, vóór de Koran. Dat roept onmiddellijk een historische vraag op: bestaan er pre-islamitische Joodse, christelijke of andere bronnen waarin gelovigen daadwerkelijk “moslims” worden genoemd? Is er epigrafisch, tekstueel of archeologisch bewijs voor die benaming vóór de 7e eeuw? Voor zover de gangbare historische consensus reikt, is er geen duidelijk bewijs dat de term muslim als religieuze groepsnaam vóór de islamitische openbaring in gebruik was als identificatie van een aparte gemeenschap. Dit schept spanning tussen de tekstuele claim en de beschikbare historische gegevens.

Traditionele exegese reageert hier vaak met een semantisch argument: “moslim” betekent letterlijk “iemand die zich onderwerpt aan God”. In die zin zouden ook Abraham, Mozes en andere profeten als “moslims” kunnen worden beschouwd, niet als leden van een latere religie, maar als mensen die zich aan God overgaven. Daarnaast is er de continuïteitsclaim: de islam presenteert zich niet als een nieuwe religie, maar als het herstel van een oorspronkelijke monotheïstische traditie. Vanuit dat kader is de uitspraak intern consistent.

De kritische vraag wordt dan: wordt hier een historische term retroactief toegepast op eerdere figuren, of gaat het om een theologische herinterpretatie van het verleden? Als het eerste het geval is, zou het een letterlijke historische bewering vereisen die onafhankelijk verifieerbaar is. Als het tweede het geval is, dan is het primair een geloofsclaim over spirituele identiteit en geen feitelijke historische vaststelling.

Het vers doet impliciet twee dingen: het claimt continuïteit met eerdere openbaringen en legitimeert de huidige gemeenschap als onderdeel van een tijdloze goddelijke traditie. Retorisch is dat krachtig: het plaatst de nieuwe gemeenschap niet als innovator, maar als erfgenaam. De spanning ontstaat wanneer historisch onderzoek geen sporen van de groepsnaam vóór de 7e eeuw vindt, terwijl de tekst de indruk wekt dat deze naam al bestond.

Samengevat is de kern van de kritiek niet dat het vers intern onlogisch is, maar dat het óf metaforisch gelezen moet worden, als aanduiding van “zij die zich onderwerpen”, óf historisch onderbouwd moet worden als letterlijke claim. Zonder externe bevestiging blijft het een theologische bewering over verleden identiteit, en geen verifieerbare historische vaststelling.

Wanneer een tekst beweert dat haar volgelingen al “moslims” werden genoemd lang vóór haar eigen ontstaan, doet zij iets subtiels maar krachtigs: zij projecteert haar identiteit terug in de geschiedenis en noemt dat continuïteit. Maar een naam die pas in de zevende eeuw opduikt, kan moeilijk eeuwen eerder als groepsaanduiding hebben gecirculeerd zonder enig spoor na te laten. Wat hier gebeurt is geen historische vaststelling, maar theologische heretikettering — het verleden wordt herschreven in het vocabulaire van het heden. Zo wordt legitimiteit niet aangetoond, maar retroactief toegekend.

  • Als “moslim” vóór de 7e eeuw een bestaande aanduiding was, waar zijn dan de onafhankelijke historische bronnen die dit bevestigen?

  • Wordt hier gesproken over een letterlijke groepsnaam, of over een algemene houding van “onderwerping aan God”?

  • Indien het slechts een houding betreft, waarom wordt dan dezelfde term gebruikt als latere religieuze identiteit?

  • Waarom vinden we in Joodse en christelijke teksten geen verwijzing naar gelovigen die zichzelf “moslims” noemden?

  • Is dit vers bedoeld als historische mededeling, of als theologische claim over spirituele continuïteit?

  • Als Abraham en andere profeten “moslims” waren, waarom herkennen hun eigen geschriften die term niet?

  • Wordt hier identiteit vastgesteld op basis van geloofsinhoud, of op basis van terminologie?

  • Als de naam werkelijk al bestond, waarom is er geen archeologisch, epigrafisch of tekstueel spoor van?

  • Is dit een voorbeeld van historische verslaglegging — of van legitimatie met terugwerkende kracht?

Wanneer een tekst beweert dat haar volgelingen al “moslims” werden genoemd lang vóór haar eigen ontstaan, doet zij iets subtiels maar krachtigs: zij projecteert haar identiteit terug in de geschiedenis en noemt dat continuïteit. Maar een naam die pas in de zevende eeuw opduikt, kan moeilijk eeuwen eerder als groepsaanduiding hebben gecirculeerd zonder enig spoor na te laten. Wat hier gebeurt is geen historische vaststelling, maar theologische heretikettering — het verleden wordt herschreven in het vocabulaire van het heden. Zo wordt legitimiteit niet aangetoond, maar retroactief toegekend.