Soera 29:28 “En [vermeld] Lot, toen hij tegen zijn volk zei: “Voorwaar, jullie begaan zulke immoraliteiten als niemand in de wereld ooit vóór jullie heeft begaan.”
Wanneer heilige teksten absolute uitspraken doen, is voorzichtigheid geboden. Hier wordt niet slechts een moreel oordeel geveld; er wordt een historische bewering gedaan. Niemand vóór jullie. In de hele wereld. Ooit.
Dat is geen preek. Dat is een claim over de menselijke geschiedenis.
Het probleem met zulke totalitaire formuleringen is dat de geschiedenis zich zelden laat onderwerpen aan religieuze retoriek. Lang vóór de vermeende ondergang van Sodom kenden oude beschavingen een breed spectrum aan menselijke relaties. In het Egypte van rond 2400 v.Chr. worden Khnumhotep en Niankhkhnum samen afgebeeld in een graf dat intimiteit suggereert die zelfs de meest terughoudende archeoloog niet eenvoudig kan wegverklaren als louter collegialiteit.
Mesopotamische teksten vermelden gelijkgeslachtelijke verlangens zonder te doen alsof zij een kosmische noviteit betreffen. In het klassieke Griekenland werd het onderwerp uitvoerig besproken. Romeinse satire veronderstelt het als bekend sociaal verschijnsel. De menselijke variatie was er altijd al.
Men kan natuurlijk zeggen dat al deze voorbeelden “ook zonde” waren. Dat is een theologisch standpunt. Maar men kan niet tegelijkertijd beweren dat het nog nooit eerder was gebeurd.
En dan is er nog iets ongemakkelijkers voor de stelling dat hier iets “ongehoords” of “tegennatuurlijks” plaatsvindt.
Homoseksueel gedrag is uitvoerig gedocumenteerd in het dierenrijk. Bonobo’s, dolfijnen, zwanen, pinguïns, schapen — de lijst is lang en groeit met elke nieuwe ethologische studie. De natuur zelf lijkt weinig onder de indruk van de stelling dat dit gedrag een unieke menselijke rebellie tegen de schepping zou zijn.
Wanneer iets voorkomt bij honderden diersoorten, is het moeilijk vol te houden dat het een plotselinge uitvinding van één specifieke stad in de oudheid was.
Wat gebeurt hier dan werkelijk?
Religieuze polemiek maakt vaak gebruik van het wapen van uitzonderlijkheid. Door een gedrag als historisch ongekend te bestempelen, wordt het geïsoleerd als monsterlijk. Het is niet slechts fout, maar afwijkend van alles wat eraan voorafging. Het wordt een breuk met de orde der dingen.
Maar de orde der dingen — dat wil zeggen, de biologische en historische werkelijkheid — lijkt minder geschokt dan de tekst.
De mens heeft in zijn lange geschiedenis veel nieuwe dingen bedacht: kernwapens, theocratieën, inquisities, concentratiekampen. Maar gelijkgeslachtelijke liefde behoort niet tot die categorie. Dat is geen moderne uitvinding en geen zeldzame aberratie. Het is een terugkerend patroon in zowel menselijke als dierlijke gemeenschappen.
Het is daarom ironisch dat religieuze tradities die vaak de onveranderlijke aard van de mens benadrukken, hier spreken alsof een bepaalde vorm van verlangen pas in Sodom werd “uitgevonden”.
Men zou kunnen concluderen dat de uitspraak van Lot minder bedoeld is als geschiedschrijving dan als dramatische overdrijving. Een retorisch instrument om morele afschuw te intensiveren.
Maar zodra men haar leest als letterlijke historische claim, begeeft zij zich op terrein waar archeologie, biologie en geschiedenis weinig ontzag tonen voor heilige absolutismen.
En zoals zo vaak blijkt: wanneer religieuze teksten zich wagen aan empirische uitspraken over de natuur of de geschiedenis, is het niet de natuur die zich moet aanpassen.

