Qur’an 43:10 “Hij is het die de aarde voor jullie heeft gemaakt als een rustplaats en er wegen voor jullie op heeft gemaakt, opdat jullie de juiste weg vinden.”
Bij deze passage kunnen enkele kritische overwegingen worden gemaakt. Veel religieuze teksten gebruiken namelijk poëtische taal om natuurlijke verschijnselen aan een god toe te schrijven. In dit vers wordt het bestaan van “wegen” of “paden” op aarde aan God toegeschreven. Vanuit een kritisch perspectief kan men zeggen dat dit geen feitelijke observatie is, maar een theologische interpretatie van het landschap. Wegen ontstaan historisch immers door menselijke activiteit: handel, migratie, veehouderij en later ook door georganiseerde infrastructuur.
In het oude Arabië bestonden inderdaad al eeuwenlang karavaanroutes tussen handelscentra zoals Mekka, Jemen, Syrië en Mesopotamië. Deze routes waren het resultaat van langdurig gebruik door handelaren en nomaden, van natuurlijke doorgangen door woestijn en berggebieden, en van praktische kennis over waterbronnen en oases. Vanuit een sceptisch standpunt kan men daarom stellen dat de “wegen” waarover het vers spreekt eenvoudigweg menselijke of natuurlijke paden zijn die later religieus zijn geïnterpreteerd.
Religieuze teksten schrijven bovendien vaak natuurlijke of menselijke fenomenen toe aan een goddelijke oorzaak. Dit patroon komt voor in veel tradities: regen, oogst, sterren, rivieren en ook paden worden gezien als tekenen van goddelijke zorg. Een criticus kan dit interpreteren als een vorm van retrospectieve attributie, waarbij bestaande realiteiten achteraf aan een god worden toegeschreven.
Het vers verzekert ons dat God de wegen voor ons heeft gemaakt, een claim die vermoedelijk verrassend zou zijn voor de generaties nomaden, handelaren en karavaanleiders die deze paden met hun eigen voeten hebben uitgesleten. Maar religieuze literatuur heeft een talent om het alledaagse te heretiketteren als het wonderbaarlijke. Waar een karavaanroute door eeuwen van handel ontstaat, verschijnt in de tekst plots een goddelijke architect. Het is een beetje alsof men een oude marktstraat aanwijst en plechtig verklaart dat de Almachtige persoonlijk de stoeptegels heeft gelegd. De menselijke geschiedenis verdwijnt, en in haar plaats verschijnt een hemelse aannemer.
