Allah’s Design Flaw

Soera 51:56 En Ik heb de djinn en de mens slechts geschapen om Mij te dienen (aanbidden).”

Soera 64:2. Hij is het Die jullie geschapen heeft, en sommigen van jullie zijn ongelovigen en sommigen van jullie zijn gelovigen.

Kritiek: Hoe kun HIj ongelovigen schapen als Hij zegt dat Hij de mens slechts heeft geschapen om Hem te aanbidden.

 

Als Christopher Hitchens deze twee verzen naast elkaar zou leggen, zou hij waarschijnlijk beginnen met het blootleggen van de retorische spanning tussen doel en werkelijkheid. Hij had een talent om zulke passages terug te brengen tot een eenvoudig, bijna komisch logisch probleem.

In zijn stijl zou hij ongeveer het volgende betoog kunnen maken:

Als een god verklaart dat hij de mens uitsluitend heeft geschapen om hem te aanbidden, maar vervolgens erkent dat een aanzienlijk deel van diezelfde mensheid hem niet aanbidt, dan staan we voor een merkwaardige situatie. Ofwel de schepper heeft een doel gesteld dat hij niet heeft bereikt, ofwel hij heeft mensen bewust zo gemaakt dat velen dat doel niet zullen vervullen. In beide gevallen wordt de claim van een perfect en coherent plan problematisch. Een ingenieur die een machine bouwt die systematisch het tegenovergestelde doet van wat hij zegt dat ze moet doen, zou men geen volmaakt ontwerper noemen.

Hitchens zou vervolgens waarschijnlijk wijzen op wat hij vaker “cosmische ijdelheid” noemde: het idee dat de hele mensheid is geschapen met als primaire taak een almachtige entiteit te prijzen. Voor hem klonk dat minder als een verheven moreel systeem en meer als een vergrote versie van menselijke machtssystemen, waarin loyaliteit en lof worden geëist.

Zijn typische conclusie zou scherp zijn: als een schepper beweert dat hij mensen heeft gemaakt om hem te aanbidden, maar tegelijkertijd erkent dat velen dat niet doen, dan lijkt het systeem minder op een perfect goddelijk plan en meer op een verhaal dat achteraf wordt aangepast om een ongemakkelijke werkelijkheid te verklaren.

Kort gezegd, in Hitchens-achtige geest: een doel dat universeel wordt geclaimd maar zichtbaar niet universeel wordt bereikt, roept onvermijdelijk de vraag op of het probleem bij de schepselen ligt — of bij het ontwerp zelf.

Vragen:

  1. Als mensen uitsluitend zijn geschapen om God te aanbidden, waarom bestaan er dan ongelovigen?
  2. Heeft de schepper een doel gesteld dat een groot deel van zijn schepping niet vervult?
  3. Als God wist dat velen hem niet zouden aanbidden, waarom hen dan toch zo scheppen?
  4. Is ongeloof een fout in het ontwerp, of een gepland onderdeel ervan?
  5. Als ongeloof gepland is, waarom wordt het dan veroordeeld?
  6. Als het niet gepland is, wat zegt dat over goddelijke almacht of voorkennis?
  7. Hoe kan aanbidding betekenis hebben als het het oorspronkelijke en exclusieve doel van de schepping is?
  8. Is vrijwillige aanbidding nog vrijwillig wanneer ze de reden voor iemands bestaan vormt?
  9. Waarom zou een almachtige entiteit überhaupt aanbidding nodig hebben?
  10. Als een schepper mensen maakt die niet doen waarvoor ze zijn gemaakt, wie draagt dan de verantwoordelijkheid?
  11. Waarom wordt de mens beschuldigd van falen wanneer de omstandigheden van zijn bestaan vooraf bepaald zijn?
  12. Als God iedereen had kunnen scheppen als gelovige, waarom deed hij dat niet?
  13. Wat is de rechtvaardigheid in het scheppen van mensen die uiteindelijk niet aan hun doel voldoen?
  14. Is ongeloof dan een menselijke keuze of een resultaat van het systeem waarin mensen zijn geplaatst?
  15. Als het doel aanbidding is, waarom wordt de mens dan niet simpelweg zo geschapen dat hij dat automatisch doet?
  16. Waarom een wereld creëren waarin de meerderheid van de geschiedenis juist religieus verdeeld en onzeker is?
  17. Als God aanbidding wil, waarom zo’n indirect en conflictvol mechanisme gebruiken?
  18. Waarom een systeem ontwerpen waarin mislukking eeuwige consequenties kan hebben?
  19. Als de schepper het doel, de omstandigheden en de uitkomst kent — wie faalt hier werkelijk, de mens of het plan?