Koran 2:23 zegt: “En als jullie twijfelen over wat Wij aan Onze dienaar (Mohammed) hebben geopenbaard, breng dan een soera voort die daarop lijkt…”
Wanneer men de uitdaging leest in Quran 2:23 — het beroemde vers waarin sceptici worden uitgenodigd een hoofdstuk te produceren dat lijkt op dat van de openbaring — kan men moeilijk ontkomen aan de indruk dat men hier niet te maken heeft met een argument, maar met een retorische truc. De passage, gelegen in Al-Baqarah, presenteert zichzelf als een soort proef: als u twijfelt aan de goddelijke oorsprong van deze tekst, produceer dan iets vergelijkbaars. Maar dit is, om het voorzichtig te formuleren, een merkwaardige manier om waarheid vast te stellen.
Het eerste probleem is dat de uitdaging geen rationele toets vormt. In de wetenschap, of in enig serieus onderzoek naar waarheid, moeten de voorwaarden van een test duidelijk zijn en moeten de resultaten onafhankelijk beoordeeld kunnen worden. Hier gebeurt het tegenovergestelde. Wat betekent het precies om een soera te produceren “die erop lijkt”? Gaat het om ritme, stijl, inhoud, theologische diepgang, emotionele kracht? De tekst laat het volledig in het midden. Daarmee wordt de discussie verplaatst van bewijs naar smaak — en smaak is notoir ongeschikt als instrument om kosmische waarheden vast te stellen.
Het tweede probleem ligt bij de jury. Stel dat iemand inderdaad een tekst produceert waarvan hij beweert dat die vergelijkbaar is. Wie beslist dan? Als de beslissing wordt genomen door degenen die de tekst al als heilig beschouwen, dan is het resultaat bij voorbaat vastgesteld. Men heeft dan een uitdaging geformuleerd die in de praktijk nooit gewonnen kan worden. Dat is geen open test; het is een cirkelredenering vermomd als uitdaging.
Bovendien verraadt de passage een opvallend menselijke trek: literaire trots. Men hoeft slechts een oppervlakkige kennis te hebben van de cultuur waarin de tekst ontstond om te weten dat de Arabische wereld van de zevende eeuw een buitengewoon rijke traditie van poëzie en retorische competitie kende. Dichters daagden elkaar voortdurend uit om verzen te produceren die mooier, scherper of indrukwekkender waren dan die van hun rivalen. In dat licht klinkt de uitdaging om een vergelijkbare soera te schrijven minder als een hemelse openbaring en meer als een echo van een zeer aardse literaire cultuur.
Maar zelfs als men de claim van uitzonderlijke schoonheid volledig accepteert, blijft het centrale probleem bestaan. Het bewijst niets over een bovennatuurlijke oorsprong. De literatuurgeschiedenis staat vol werken die zo krachtig, zo origineel en zo diepgaand zijn dat generaties lezers ze als bijna onnavolgbaar beschouwen. Niemand concludeert daaruit dat hun auteurs door goddelijke inspiratie werden gedicteerd. Grote literatuur kan voortkomen uit menselijke genialiteit, historische omstandigheden en de evolutie van taal.
Wat deze uitdaging uiteindelijk doet, is niet het leveren van bewijs, maar het versterken van overtuiging onder degenen die al overtuigd zijn. Zij zien in de schoonheid en kracht van de tekst het bewijs van haar goddelijke oorsprong. Maar voor de scepticus verandert de passage niets: ze biedt geen onafhankelijke methode om waarheid te testen. En precies daarom klinkt ze minder als een open uitnodiging tot onderzoek en meer als een zeer herkenbare ‘menselijke’ strategie om autoriteit te verdedigen.
Vragen:
-
Wat betekent precies “een soera die erop lijkt”?
-
Kunt u dat criterium in één objectieve zin definiëren?
-
Bestaat er een meetbare standaard voor die gelijkenis?
-
Waar staat die standaard vastgelegd?
-
Wie beslist of een poging slaagt?
-
Zijn dat mensen die al geloven dat de tekst perfect is?
-
Hoe kan hun oordeel dan onafhankelijk zijn?
-
Kunt u een scenario beschrijven waarin iemand deze uitdaging daadwerkelijk wint?
-
Is er ooit een poging geweest die u serieus in overweging hebt genomen?
-
Zo niet, hoe verschilt deze uitdaging van een test die nooit gewonnen kan worden?
-
Als schoonheid het criterium is, hoe meet u schoonheid?
-
Is literaire schoonheid ooit een bewijs voor bovennatuurlijke oorsprong geweest?
-
Zou dat betekenen dat andere grote literatuur ook goddelijk moet zijn?
-
Waarom zou een universele openbaring afhangen van esthetische oordelen in één specifieke taal?
-
Waarom zou een almachtige god een literaire competitie als bewijs gebruiken?
-
Is het mogelijk dat deze uitdaging simpelweg een product is van een cultuur waarin dichters elkaar voortdurend uitdaagden?
-
Dus uiteindelijk: is dit een test van waarheid — of slechts een test van smaak?
Een ultra-snedige, Hitchens versie van de kritiek op koran 2:23:
Kijk, de Koran zegt: “Produceer een soera die erop lijkt.” Wat betekent “erop lijkt”? Niemand weet het. Ritme? Stijl? Betekenis? Wie beslist dat? Juist, de gelovigen zelf. De jury beslist voor u — en u verliest altijd.
Stel dat iemand het probeert. Wordt het geaccepteerd? Wie oordeelt eerlijk? Niemand. De uitdaging is een cirkel. Een test die onmogelijk te winnen is. Bewijs? Nee. Alleen bevestiging van geloof.
En dan die schoonheid. Retorische perfectie als bewijs voor goddelijkheid? Echt? Zijn al die meesterwerken van Dante, Shakespeare, Goethe, ook goddelijk? Natuurlijk niet. Schitterende literatuur bewijst hoogstens menselijke genialiteit, niet de hemel.
En het mooiste? De uitdaging is alleen begrijpelijk in één taal, in één tijd, in één cultuur. Een 7e-eeuwse Arabische literaire context! Waarom zou een almachtige God zijn bewijs baseren op een literaire wedstrijd van menselijke makelij? Het is een retorische stunt. Een show. Vermomd als openbaring.
Wat doet dit vers echt? Het versterkt geloof. Het daagt sceptici niet uit. Het test geen waarheid. Het test smaak. Het test insiders. Het is een kunstmatige illusie van goddelijke perfectie.
En dat, dames en heren, is hoe menselijke genialiteit zichzelf verkoopt als hemelse inspiratie.
Een kruisverhoor:
Hitchens (als advocaat/rechter):
Dus u zegt dat dit vers bewijst dat de Koran goddelijk is?
Getuige:
Ja, het daagt sceptici uit een vergelijkbare soera te produceren.
Hitchens:
Wat betekent “vergelijkbaar”? Ritme? Stijl? Betekenis?
Getuige:
Eh… ja, die elementen.
Hitchens:
En wie beslist of het voldoet?
Getuige:
De gelovigen of experts in klassiek Arabisch.
Hitchens:
Dus de jury bestaat uit mensen die al geloven dat de tekst perfect is?
Getuige:
Ja, dat klopt.
Hitchens:
En wat gebeurt er als iemand een indrukwekkende poging levert?
Getuige:
Die wordt beoordeeld… maar vaak afgewezen.
Hitchens:
Ah, dus het is onmogelijk om te slagen. Correct?
Getuige:
Dat zou men zo kunnen zeggen.
Hitchens:
Dus het is geen onafhankelijke toets. Alleen smaak en geloof.
Getuige:
Dat klopt, ja.
Hitchens:
En dit idee dat literaire schoonheid goddelijkheid bewijst… Dante, Shakespeare, Goethe — zijn zij ook goddelijk volgens deze logica?
Getuige:
Eh… nee, natuurlijk niet.
Hitchens:
Precies. Dus uw “bewijs” bewijst niets buiten bewondering voor taal en stijl.
Getuige:
Dat kan men zo interpreteren, ja.
Hitchens:
Laat me het samenvatten: dit vers test niet waarheid. Het test smaak. Het test insiders. Het test culturele kennis. En u presenteert dat als goddelijk bewijs?
Getuige:
…Ja.
Hitchens:
Dames en heren, dat is geen test van waarheid. Dat is een literaire truc verpakt als openbaring.
Goddelijke openbaring of een aardse poëziewedstrijd:
Als we de uitdaging lezen in Koran 2:23 — de beroemde uitnodiging om “een soera voort te brengen die erop lijkt” — dan treffen we niet zozeer een kosmische demonstratie aan, maar iets wat ons in werkelijkheid heel bekend voorkomt: een typisch menselijke vorm van bravoure. Het is het soort uitdagen dat men eerder verwacht van een dichter, een polemist of een politicus die zijn tegenstanders wil intimideren. De redenering luidt in feite: dit boek is uniek, en als u het daarmee oneens bent, probeer dan maar iets te maken dat erop lijkt. Maar dat is geen bewijs; het is een uitdaging.
Het eerste probleem met zo’n uitdaging is dat zij haar eigen jury meebrengt. Wie beslist immers of een nieuwe tekst “erop lijkt”? Het antwoord is onvermijdelijk: de gelovige gemeenschap die al overtuigd is van de uitzonderlijkheid van de oorspronkelijke tekst. Daarmee verandert de proef in een cirkelredenering. De tekst is onnavolgbaar omdat niemand haar kan evenaren, en niemand kan haar evenaren omdat degenen die dat beoordelen reeds geloven dat zij onnavolgbaar is. Dit is geen open experiment; het is een wedstrijd waarbij de scheidsrechter al heeft besloten wie de winnaar is.
Daar komt nog iets bij. Zelfs als we zouden aannemen dat een tekst buitengewoon mooi of indrukwekkend is — en er bestaan in de wereldliteratuur talloze schitterende werken — dan volgt daaruit nog geenszins dat zij een bovennatuurlijke oorsprong heeft. Esthetische bewondering is geen theologisch bewijs. Shakespeare heeft passages geschreven die men moeilijk kan overtreffen, maar niemand beschouwt hem daarom als een kanaal van goddelijke openbaring. Literair talent, hoe indrukwekkend ook, blijft een menselijke eigenschap.
De uitdaging van de tekst lijkt dus minder op een rationeel argument dan op een vorm van culturele competitie. In de Arabische wereld van de zevende eeuw was poëzie een arena van prestige en rivaliteit, en het uitdagen van tegenstanders om iets beters te produceren was een bekende praktijk. In dat licht bezien klinkt de passage niet als een stem uit de hemel, maar als een echo van menselijke literaire trots.
Wat hier uiteindelijk zichtbaar wordt, is een patroon dat men in veel religieuze tradities aantreft: de tekst verklaart zichzelf uniek, en gebruikt die verklaring vervolgens als bewijs voor haar eigen waarheid. Voor wie reeds gelooft, kan dit overtuigend lijken. Maar voor de sceptische lezer blijft het een opmerkelijk zwakke vorm van bewijs. Een uitdaging om iets vergelijkbaars te schrijven kan hoogstens een debat over stijl uitlokken; zij kan onmogelijk beslissen over de vraag of een tekst door God is geschreven.
En zo komen we tot een ironische conclusie. De passage die bedoeld is om de goddelijke oorsprong van de tekst te bevestigen, onthult juist iets zeer menselijks: de neiging van mensen om hun eigen woorden te verdedigen met bravoure, uitdaging en een flinke dosis zelfvertrouwen. Dat is begrijpelijk, herkenbaar — en bovenal menselijk.

