Soera 2:282 ”En roep twee getuigen uit jullie midden op als getuigen. En als er geen twee mannen beschikbaar zijn, roep dan een man en twee vrouwen op uit degenen die jullie als getuigen accepteren – zodat als een van de vrouwen zich vergist, de andere haar kan corrigeren”.
Er zit een merkwaardige spanning tussen de aanname van het vers en de werkelijkheid waarin wij leven. Het idee dat de getuigenis van een vrouw versterking nodig heeft omdat zij zich eerder zou vergissen, veronderstelt een structureel verschil in betrouwbaarheid. Maar zodra men de blik richt op de moderne samenleving, begint die veronderstelling snel te wankelen. Vrouwen werken als notarissen, juristen, bankmedewerkers en accountants—beroepen waarin precisie, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid geen luxe zijn, maar vereisten. Het systeem stort immers onmiddellijk in als die kwaliteiten ontbreken.
Men zou verwachten dat, als vrouwen inderdaad systematisch minder betrouwbaar zouden zijn in het omgaan met informatie en transacties, dit zichtbaar zou zijn in hun professionele functioneren. Dat is echter niet het geval. Integendeel, vrouwen vervullen op grote schaal functies waarin nauwkeurigheid en oordeelsvermogen centraal staan. Niet bij wijze van uitzondering, maar als norm. De praktijk biedt hier dus geen bevestiging van de veronderstelling, maar eerder een weerlegging ervan.
Dit legt een fundamenteel probleem bloot. De regel uit het vers is niet gebaseerd op een tijdloze eigenschap, maar op een contextgebonden aanname—één die in de hedendaagse werkelijkheid geen stand houdt. Wat ooit misschien werd gezien als een praktische inschatting, blijkt bij nadere beschouwing een generalisatie die geen rekening houdt met individuele capaciteiten. En zodra die generalisatie wordt verheven tot norm, ontstaat er een spanning tussen tekst en werkelijkheid die moeilijk te negeren is.
Daarmee verschuift de discussie van theologie naar iets fundamentelers: epistemologie. Hoe bepalen we wie een betrouwbare bron van kennis is? Op basis van categorieën zoals geslacht, of op basis van individuele bekwaamheid en ervaring? De moderne samenleving heeft, impliciet maar duidelijk, voor het laatste gekozen. En dat maakt het des te moeilijker om een systeem te verdedigen dat het eerste blijft hanteren.
Wat overblijft is een ongemakkelijke conclusie: de veronderstelling dat vrouwen als groep minder betrouwbaar zouden zijn in zulke zaken wordt niet bevestigd door de praktijk, maar weersproken. En wanneer een regel in strijd komt met de werkelijkheid die zij pretendeert te ordenen, is het misschien niet de werkelijkheid die herzien moet worden, maar de regel zelf.
Vragen:
- Op basis waarvan wordt aangenomen dat vrouwen als groep vatbaarder zijn voor vergissingen dan mannen?
- Is deze aanname empirisch onderbouwd, of historisch ontstaan uit een specifieke sociale context?
- Indien het laatste, waarom wordt een contextgebonden observatie gepresenteerd als normatieve regel?
- Waarom wordt betrouwbaarheid gekoppeld aan geslacht in plaats van aan individuele competentie?
- Zou een onervaren man betrouwbaarder zijn dan een ervaren vrouwelijke professional?
- Zo ja, op grond waarvan? Zo nee, waarom wordt die mogelijkheid niet erkend in de regel?
- Als het doel is om vergissingen te voorkomen, waarom wordt dan niet gekozen voor meerdere getuigen ongeacht geslacht?
- Waarom wordt de oplossing gezocht in genderverdubbeling in plaats van in algemene verificatie?
- In moderne samenlevingen functioneren vrouwen op grote schaal in beroepen die precisie en betrouwbaarheid vereisen. Hoe rijmt deze realiteit met de aanname van lagere betrouwbaarheid?
- Als vrouwen structureel minder betrouwbaar zouden zijn, waarom zien we dan geen systematische fouten in sectoren waarin zij werkzaam zijn?
- Is het verdedigbaar om een algemene regel te baseren op een aanname die in de praktijk niet zichtbaar is?
- Wanneer praktijk en regel met elkaar in conflict komen, welke van de twee heeft dan epistemologisch voorrang?
- Impliceert deze regel dat waarheid afhankelijk is van wie spreekt in plaats van wat er wordt gezegd?
- Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het idee van objectieve rechtvaardigheid?
- Is deze onbetrouwbaarheid naar vrouwen een juridisch principe, of een vooroordeel dat tot norm is verheven?
- Is het doel van een rechtssysteem om historische aannames te bewaren, of om zo accuraat mogelijk de waarheid vast te stellen?
- En als deze twee doelen botsen, welk principe zou dan moeten prevaleren?
- Kan een systeem dat structureel onderscheid maakt tussen getuigen op basis van geslacht nog aanspraak maken op neutraliteit?
- Of is hier sprake van een vooraf vastgelegde hiërarchie van geloofwaardigheid?
- Tot slot: als de regel vandaag opnieuw zou worden opgesteld, met de kennis en realiteit van nu, zou men dan tot dezelfde conclusie komen?
Deze vorm maakt het sterk: geen stelling, alleen vragen—maar elke vraag snijdt.

